Colonial Collections Consortium
De Indonesische objecten van Keramiekmuseum Princessehof

Eén jaar na de sluiting van de eerste aanvraagronde van de Regeling Herkomstonderzoek Koloniale Collecties zijn de eerste onderzoeken in volle gang. Keramiekmuseum Princessehof doet herkomstonderzoek naar verschillende Indonesische objecten uit hun collectie; het museum beheert er momenteel ruim 1.800. Vanaf 2025 onderzoekt het museum opnieuw de herkomst van de objecten, want de eerdere onderzoeken hadden tot weinig resultaat geleid. Maar nu de eerste 100 objecten, met een mogelijk problematische herkomst, worden onderzocht werpen de resultaten licht op de collectie als geheel.

Herkomstonderzoek naar Indonesische objecten

Met financiële steun van het Consortium Koloniale Collecties onderzoekt Museum Princessehof de herkomstgeschiedenis van objecten in hun collectie, het onderzoek wordt per object gedaan. Daarbij staan de volgende vragen centraal:

  • Op welke manier kunnen herkomstgegevens aangevuld worden? Wat is er terug te vinden in reisdagboeken, laboratoriumtesten en fotoalbums?
  • Welke kunsthandelaren en ‘verzamelaars’ in de koloniale periode hadden interesse in Indonesische objecten?
  • Welke objecten in de collectie hebben een problematische herkomst?
  • Welke culturele of religieuze waarde hebben de objecten in het land van herkomst?
GMP 1947-015, tempelwachter, Hindoe-Javaans, Midden-Java. In 1947 door Ottema gekocht bij galerie Lemaire in Amsterdam

Combineren van specialismen voor gericht herkomstonderzoek

Begin jaren 1960 poogde het museum de tot dan toe opgebouwde collectie Indonesische objecten te inventariseren. Omdat het museum zich in de jaren daarop ontwikkelde tot een gespecialiseerd keramiekmuseum, viel onderzoek naar de Indonesische niet-keramische voorwerpen daarna echter grotendeels stil. Het huidige onderzoek is erop gericht om de herkomst van deze objecten vast te stellen of aannemelijk te maken. De onderzoekers combineren hiervoor de oorspronkelijke objectdocumentatie in het archief van Princessehof met andere archiefbronnen, zoals aantekeningen en dagboeken van de verzamelaars of correspondentie van kunsthandelaars. Ook wordt onderzoek verricht aan de objecten zelf.

Zo is in samenwerking met Lab op Pad van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed onderzoek verricht naar het metaal van de talams (grote bronzen offerschalen) in de collectie, wat aantoonde dat ze vrijwel zeker langdurig onder de grond hebben gelegen. Daarnaast kwamen verschillende specialisten op het gebied van etnografica en Indonesische wapens naar de collectie kijken. Dit gaf, ook bij voorwerpen waar de exacte herkomst van onbekend is, veel aanvullende informatie over de context waarin deze voorwerpen werden verzameld.

Het Consortium Koloniale Collecties ondersteunt samenwerking en onderzoek bij musea, onderzoeksinstellingen en archieven om nieuwe kennis te vergaren over deze verweven koloniale geschiedenis. We delen expertise, onderzoeksmethoden en maken financiële middelen beschikbaar, waardoor collectiebeherende instellingen – zoals Keramiekmuseum Princessehof – verrijkend onderzoek kunnen doen naar de koloniale herkomst van hun collectie.

Wil je zelf meer weten over het belang van het combineren van onderzoek in het beheren van objecten uit koloniale context? Het NIOD ontwikkelde hierover digitale zoekhulpen voor het Consortium Koloniale Collecties. Deze zoekhulpen bieden handvatten voor onderzoekers en geïnteresseerden die koloniale objecten en hun verhalen beter willen begrijpen.

Museum Prinsenhof Delft onderzoekt deelcollectie met Indonesische objecten

Eén jaar na de sluiting van de eerste aanvraagronde van de Regeling Herkomstonderzoek Koloniale Collecties zijn de eerste tien onderzoeksprojecten grotendeels afgerond. Museum Prinsenhof Delft doet onderzoek naar twaalf objecten uit de deelcollectie Nusantara, die vanuit Indonesië en via de collecties van verschillende instellingen uiteindelijk onder beheer kwamen van het museum.

De Indische Instelling in Delft werd in 1864 opgericht als opleidingsinstituut voor Nederlandse koloniale ambtenaren die werden uitgezonden naar het huidige Indonesië. De objecten die door de instelling waren verzameld werden in het onderwijs gebruikt. Na de opheffing van de Indische Instelling in 1901, werd in 1911 een etnografisch museum opgericht om de collectie te bewaren. Dit werd uiteindelijk Museum Nusantara.

Museum Nusantara sloot in 2013 haar deuren, waarna de collectie werd ontzameld en herbestemd aan verschillende musea in binnen- en buitenland. Een klein deel van de collectie bleef in Delft en kwam onder het beheer van Museum Prinsenhof. De deelcollectie Nusantara bestaat uit ongeveer 460 objecten, waaronder kleding, religieuze objecten, poppen, meubels, (miniatuur)wapens en sieraden.

De deelcollectie Nusantara

Met financiële steun van het Consortium Koloniale Collecties onderzoekt het museum de herkomstgeschiedenis van twaalf objecten uit de deelcollectie. Daarbij staan de volgende vragen centraal:

• Hoe kwamen koloniale objecten uit Indonesië terecht in Delft?

• Waar komen ze vandaan, hoe zijn ze verzameld en waarom belandden zij in de etnografische collectie van de Indische instelling of Museum Nusantara?

• Wat vertellen deze objecten ons over de relatie tussen Delft en Indonesië?

• Wat is de betekenis van de objecten voor de gemeenschappen van herkomst?

Stafknop, Collectie Museum Prinsenhof Delft (voorheen collectie voormalig Museum Nusantara)
Paard met kar, Collectie Museum Prinsenhof Delft (voorheen collectie voormalig Museum Nusantara), aankoop met steun van de Vereniging Rembrandt. Foto: Tom Haartsen

Koloniale banden tussen Delft en Indonesië

Museum Prinsenhof Delft wil na hun verbouwing het verhaal van de koloniale geschiedenis van Delft transparant en completer tonen aan hun bezoekers. Het delen van de herkomstgeschiedenis van deze objecten is een onderdeel hiervan. De resultaten van het onderzoek krijgen daarom een plek in de nieuwe vaste presentatie van het museum. In het stadsprogramma de Delftse Blik gaat het museum tevens met bezoekers en Delftenaren in gesprek over deze collectie. Door de verhalen van de collectie breed te delen biedt het museum na de heropening een nieuw perspectief op de koloniale relatie tussen Delft en Indonesië.

Meerwaarde van herkomstonderzoek

Ondanks dat het onderzoek zich heeft gericht op twaalf specifieke objecten, heeft het herkomstonderzoek ook informatie over andere objecten en belangrijke aspecten van de verweven koloniale geschiedenis aan het licht gebracht. Het onderzoek heeft namelijk vooral laten zien hoe sterk de Indische Instelling verweven was met het koloniale systeem, en hiermee ook de deelcollectie van het museum.

Het Consortium Koloniale Collecties ondersteunt samenwerking en onderzoek bij musea, onderzoeksinstellingen en archieven om nieuwe kennis te vergaren over deze verweven koloniale geschiedenis. We delen expertise, onderzoeksmethoden en maken financiële middelen beschikbaar, waardoor collectiebeherende instellingen – zoals Museum Prinsenhof Delft – verrijkend onderzoek kunnen doen naar de koloniale herkomst van hun collectie.

Wil je zelf meer weten over de rol van ambtenaren in het verzamelen van objecten uit koloniale context? Het NIOD ontwikkelde hierover digitale zoekhulpen voor het Consortium Koloniale Collecties, waarin ook Museum Nusantara als belangrijke instelling is opgenomen. Deze zoekhulpen bieden handvatten voor onderzoekers en geïnteresseerden die koloniale objecten en hun verhalen beter willen begrijpen.

Vier musea ontvangen een bijdrage voor herkomstonderzoek naar koloniale collecties

Vier musea ontvangen een bijdrage van het Consortium Koloniale Collecties voor herkomstonderzoek binnen de Regeling Herkomstonderzoek. Met deze ondersteuning gaan zij de herkomstgeschiedenis in kaart brengen van (delen van) hun collectie of specifieke objecten waarvan aanwijzingen bestaan dat deze in een koloniale context zijn verworven.

Toegekende projecten

Lees hieronder meer over de toegekende projecten.

Chabot Museum (€25.570)

Het Chabot Museum onderzoekt de herkomst van circa 22 West-Afrikaanse etnografische objecten uit de collectie-Schortenmeijer. Het project richt zich op transparantie over oorsprong, verwerving en koloniale context, en beoogt een zorgvuldigere en eerlijkere presentatie van de collectie. Er wordt onder meer gekeken naar archieven, kunsthandelnetwerken en mogelijke herkomstlanden, zoals Ivoorkust.

Museum Gouda (€17.400)

Museum Gouda, opgericht in 1874 en uitgegroeid tot een collectie van meer dan 40.000 objecten, onderzoekt twee specifieke objecten met onduidelijke herkomst. Het gaat om een bijzondere ivoren pijpfoedraal afkomstig uit Sri Lanka en een porseleinen kwispedoor uit Curaçao, geschonken in 1967. Via archiefonderzoek, objectstudie en literatuur wordt de herkomstgeschiedenis gereconstrueerd.

Naturalis Biodiversity Center (€27.030)

Naturalis onderzoekt de herkomst van botanische en zoölogische collecties uit vroege 20-eeuwse Nederlandse expedities in Suriname. Centraal staat de rol van de Inheemse en Marron-gemeenschappen, die actief bijdragen aan het verzamelen van objecten en het produceren van kennis. Door archiefonderzoek en dagboek- en specimenanalyse worden verborgen sporen van lokale kennis en samenwerking zichtbaar gemaakt.

Westfries Museum ( €30.000)

Het Westfries Museum onderzoekt binnen een bredere vernieuwing van de museale presentatie de collectie in een wereldwijde, inclusieve context. In een herwaarderingsproject van circa 36.000 objecten wordt een selectie van 30 objecten uit de Carbasius-collectie (1650-1750) onderzocht op koloniale herkomst. Daarbij ligt de nadruk op archiefbronnen, objectanalyse en mogelijke verbanden met de VOC en koloniale handelsnetwerken. Het doel is om deze context beter zichtbaar te maken en de resultaten te integreren in een vernieuwde presentatie.

Herkomstonderzoek blog #6 is nu te lezen!

In de blogserie presenteert het Consortium Koloniale Collecties een historisch object uit een voormalige koloniale context of situatie, dat momenteel (of tot voor kort) wordt bewaard in een museum in Nederland en waarnaar herkomstonderzoek is gedaan. De zesde blog in de reeks is nu te lezen en gaat over een pad en een foto uit Suriname.

De pad bevindt zich op dit moment in de collectie van Naturalis Biodiversity Center en de historische foto in die van het Wereldmuseum. Deze twee voorwerpen zijn onderdeel van een breder onderzoek naar de rol die individuele Marrons en Inheemse personen in Suriname hebben gespeeld bij het samenstellen van natuurhistorische en etnografische collecties die momenteel in Nederland worden beheerd.

De pad werd op dezelfde dag gevangen als de foto werd genomen – 12 september 1904 – in het kader van een reeks expedities in opdracht van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genoodschap (KNAG). Hoewel kennis opgedaan in deze expedities grotendeels wordt toegeschreven aan de Nederlands die hierbij betrokken waren, blijkt uit recentelijk herkomstonderzoek dat de kennis van betrokken Marrons en Inheemse personen van groot belang was voor de expedities en daarmee voor de totstandkoming van collecties die nu in in Nederlandse musea worden bewaard.

In dit blog lees je over de rol die herkomstonderzoek kan spelen bij het belichten van vertekeningen in het koloniale archief en het ter discussie stellen van ons perspectief op wetenschappelijke expedities in Suriname. Door het bestuderen van een pad die is gevangen op dezelfde dag dat de foto is gemaakt, laat deze blog zien dat het samenbrengen van collecties en bijbehorende documentatie uit verschillende instellingen, bijdraagt aan een beter begrip van de koloniale (collectie)geschiedenis en de geschiedenis van de instellingen die deze collecties tegenwoordig beheren.

Een pad en een foto uit Suriname

Herkomstonderzoek blog #6

In deze serie blogs presenteert het Consortium Koloniale Collecties een historisch object of collectie uit een voormalige koloniale context of situatie, dat momenteel (of tot voor kort) wordt bewaard in een museum in Nederland en waarnaar herkomstonderzoek is gedaan. In elke blog wordt uitgelegd welke stappen het betreffende museum of de betreffende herkomstonderzoeker heeft gezet om het onderzoek uit te voeren. Welke verhalen gaan schuil achter het object en wat kunnen ze ons vertellen over het koloniale verleden van Nederland?

Deze keer in de spotlight: een pad en een foto uit Suriname

Korte historische achtergrond

Deze blog gaat over een exemplaar van een pad uit het Naturalis Biodiversity Center (RMNH.RENA.29133) en een historische foto uit het Wereldmuseum (RV-A103-1-83). Deze twee voorwerpen, die in verschillende musea worden bewaard, zijn onderzocht in het kader van breder onderzoek naar de rol die individuele Marrons en Inheemse personen in Suriname hebben gespeeld bij het samenstellen van natuurhistorische en etnografische collecties die momenteel in Nederland worden beheerd. Het onderzoek heeft tot doel de veronderstellingen achter het koloniale archief te belichten en te laten zien welke rol herkomstonderzoek kan spelen bij het reconstrueren van een vollediger beeld van de geschiedenis, in dit geval van wetenschappelijk onderzoek in Suriname.

De pad werd op dezelfde dag gevangen als de foto werd genomen – 12 september 1904 – in het kader van een reeks expedities in opdracht van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG), namelijk Coppename (1901), Saramacca (1902), Gonini (1903), Tapanahoni (1904) en Toemoekhoemak (1907). De KNAG werd in 1873 opgericht om geografisch onderzoek over de hele wereld te bevorderen. Dit gebeurde in een tijd waarin in Nederland en andere Europese landen vele wetenschappelijke verenigingen werden opgericht, gedreven door ambities op het gebied van ontwikkeling en vooruitgang. In de negentiende en twintigste eeuw organiseerde de KNAG verschillende expedities om gebieden in kaart te brengen die toen door Nederland werden bezet. Deze waren daarnaast gericht op het verzamelen van planten, mineralen en dieren en ook culturele voorwerpen, met als doel kennis te vergaren over deze contreien en de volkeren die er leefden en het potentieel voor commerciële exploitatie te verkennen.

De reuzenpad van Naturalis (RMNH.RENA.29133). Bron: Naturalis Biodiversity Center. (foto: Caroline Fernandes Caromano)

Tegen de (koloniale) stroom in lezen

De kennis die tijdens deze expedities is opgedaan is grotendeels toegeschreven aan de Nederlanders die hierbij betrokken waren. Namelijk militair officier Alphons Franssen-Herderschee, Gerard Versteeg, een student geneeskunde en expeditie-arts, en Claudius Henricus de Goeje, een cartograaf bij de Koninklijke Marine, die alle drie deelnamen aan de expedities van Gonini en Tapanahoni. Recent en lopend onderzoek door onderzoekers verbonden aan het Naturalis Biodiversity Center – Caroline Fernandes Caromano, Inez de Ruiter, Tinde van Andel, Mariana Françozo, Daan Zielinski en Chamul Sardjoe – toont echter aan dat dit beeld gevormd is onder invloed van vertekeningen en weglatingen in de koloniale archieven.

De onderzoekers hebben herkomstonderzoek verricht naar natuurhistorische en etnografische collecties op een manier die de perspectieven en ervaringen van de Inheemse bevolking en de Marrons zichtbaar maakt en daarmee het heersende beeld van de wetenschappelijke verkenning in Suriname in het begin van de twintigste eeuw ter discussie stelt. Aangezien de Nederlandse bronnen uitsluitend door Nederlandse expeditieleden zijn geschreven, geven ze een vertekend beeld; ze zijn vaak gekleurd door raciale vooroordelen en bieden een eenzijdig perspectief op de ervaringen van de lokale werkkrachten. Toch kan een kritische analyse van deze bronnen belangrijke inzichten opleveren. Zo hebben de onderzoekers een nauwkeuriger en vollediger beeld kunnen schetsen van de wetenschappelijke verkenning in deze context, waaruit blijkt dat deze expedities sterk afhankelijk waren van lokale werkkrachten, namelijk Afro-Surinamers (zowel Marrons als arbeiders uit Paramaribo) en Inheemse personen. Hun kennis van de gebieden die werden verkend was cruciaal voor de veiligheid van de teams, maar ook voor de kennisontwikkeling en het verzamelen van natuurlijk materiaal en artefacten die nu in Nederlandse musea worden bewaard.

Herkomstonderzoek

De laatste jaren richt herkomstonderzoek zich steeds vaker op microgeschiedenis, waardoor er een completer beeld van de (koloniale) geschiedenis kan worden geschetst en gedeeld. In dit geval hebben de onderzoekers zowel de officiële verslagen van de expeditieleiders bestudeerd als hun dagboeken, die een persoonlijker beeld van de ervaringen geven, inclusief details over de contacten en relaties met lokale werkkrachten. Ook wordt correspondentie geraadpleegd om de verhalen in deze dagboeken te bevestigen of te weerleggen. Een digitaal archief met foto’s van de expedities, dat momenteel wordt bewaard in het Wereldmuseum en de Universitaire Bibliotheken Leiden, vormt een aanvulling op de schriftelijke documentatie, aangezien deze foto’s helpen om een beeld te geven van de gebeurtenissen en personen die in de verslagen worden beschreven. Tot slot kunnen in sommige gevallen de etiketten op de voorwerpen zelf onverwachte informatie opleveren. Dat is het geval bij de pad die in deze blog wordt besproken.

De reuzenpad van Naturalis, geconserveerd in alcohol (boven) en het bijbehorende etiket (onder) (RMNH.RENA.29133). Bron: Naturalis Biodiversity Center. (foto’s: Caroline Fernandes Caromano).

De pad behoort tot de Bufo marinus-soort (Linnaeus, 1758); de huidige wetenschappelijke naam is Rhinella marina (Linnaeus, 1758) en hij staat algemeen bekend als de reuzenpad of de aga-pad. Hoewel wetenschappelijke kennis vaak wordt gezien als ahistorisch, neutraal en universeel, is zij – net als de officiële verslagen van wetenschappelijke expedities aan het begin van de twintigste eeuw – het product van historische, politieke en maatschappelijke contexten. Het gebruik van het Latijn komt bijvoorbeeld voort uit het feit dat, toen de Zweedse bioloog Carl Linnaeus in de achttiende eeuw zijn classificatiesysteem ontwikkelde, dit de lingua franca was van de geschoolde Europeanen, en zo de basis vormde voor de naamgeving van de natuurlijke wereld. Bovendien werden natuurlijke elementen zoals planten, dieren, rivieren en bergen vaak vernoemd naar de Europese mannen die ze zouden hebben ontdekt. Zo werden twee van de soorten die tijdens de Gonini-expeditie werden verzameld vernoemd naar Versteeg: de Arthrosaura reticulata versteegii en de Laelaps versteegi.

Het interne dossier van de pad bij Naturalis vermeldt de datum waarop het dier is gevangen – 12 september 1904 – waaruit blijkt dat dit tijdens de Tapanahoni-expeditie is gebeurd. De belangrijkste doelstellingen van deze expeditie waren het in kaart brengen van de Tapanahoni-rivier, het verkennen van de Surinamerivier en de verwerving van etnografische collecties, met name van de Wayana- en Trio-gemeenschappen. Op het etiket dat samen met de pad in alcohol is bewaard, staan zowel de datum vermeld als de lokale naam voor de pad – “Toddo” – in het Sranan Tongo, de creoolse taal van Suriname. Op het etiket staat ook het woord Telompaga, wat volgens het rapport van Franssen-Herderschee uit 1905 (“Verslag van de Tapanahoni-Expeditie”) de inheemse naam is (mogelijk van het Wayana-volk) voor een gebied met stroomversnellingen op een deel van de Paloemeu-rivier, die bij het dorp Paloemeu samenvloeit met de Tapanahoni-rivier. Franssen-Herderschee vermeldt in zijn verslag ook dat de Marrons deze plek “Trombaka” noemen, wat ‘gebied van terugkeer’ betekent, omdat het een moeilijk toegankelijk gebied is met veel rotsen, stroomversnellingen en watervallen, waar boten vaak niet doorheen konden. Deze informatie samen wijst er al op dat Marrons en Inheemse personen bij deze expeditie betrokken waren.

Uit het archiefonderzoek van Caroline Fernandes Caromano en haar collega’s blijkt dat er 28 mensen bij de Tapanahoni-expeditie werkten, voornamelijk Afro-Surinaamse werkkrachten (tenzij in de volgende zin anders vermeld). Hun namen waren Copijn, Andreas, Koffie, Soekroe, Karel, Madonné, Paté (gids), Malo (gids), Sully (kok), Madretsma (tweede kok), Sindélé, Sako, Makandro, Akrosi, kleinzoon van Oseisi (gids/tolk), Sonie (gids/tolk), Melchiot, Roozendaal, Dens, Leeflang, Heerde, Henze, Teboe, Lebitetei, Abaaitong, Brandon, Ho-a-Hing (Chinees), Johannes (Inheems, Kali’na), William (Inheems, Kali’na).

Foto gemaakt door Versteeg tijdens de Tapanahoni-expeditie in Suriname, 1904. Bron: Wereldmuseum (RV-A103-1-83). Bijschrift: Het brengen van de visschersboot over Telompaga of Tronbakka (12 september).

Reflectie

Deze blog is gebaseerd op recent onderzoek naar natuurhistorische en etnografische collecties en laat zien hoe herkomstonderzoek kan helpen bepaalde vertekeningen recht te zetten en de heersende verhalen over wetenschappelijke expedities in Suriname ter discussie te stellen. De combinatie van dagboekanalyses en directe objectanalyses van verschillende collecties schetst een beeld van mensen uit de lokale bevolking die voorheen uit het officiële verhaal waren weggelaten. De diepgaande kennis die individuen uit Inheemse en Marron-gemeenschappen hadden van de lokale omgeving en hun vermogen om Nederlandse wetenschappers te begeleiden bij het vinden, verzamelen en identificeren van planten en dieren, evenals de actieve rol van lokale leiders bij het faciliteren van de toegang en uitwisselingen tussen de Nederlandse onderzoekers en de lokale gemeenschappen, waren essentieel voor het tot stand komen van de collecties die nu in Nederlandse musea worden bewaard. Door herkomstonderzoek zijn lokale verzamelaars en hun onmisbare rol in kaart gebracht; hun namen moeten dan ook worden erkend en opgenomen in de inventarissen van etnografische en natuurhistorische collecties.

In dit laatste deel staan we ook stil bij een ander vraagstuk dat zich voordoet bij musea als Naturalis en het Wereldmuseum in Leiden, en dat soms een uitdaging kan vormen voor herkomstonderzoek. Volgens de principes van de Westerse wetenschap wordt natuurlijk materiaal dat verband houdt met planten, dieren en aardse systemen beschouwd als “specimen” of “exemplaar”  en wordt dit traditioneel ondergebracht in natuurhistorische collecties, terwijl door mensen gemaakte voorwerpen “artefacten” vormen en worden ondergebracht in etnografische of wereldcultuurcollecties. Zoals wetenschappers en museumprofessionals als Jack Ashby echter hebben betoogd – en zoals uit het hier gepresenteerde onderzoek blijkt – is deze scheiding tussen natuur en cultuur kunstmatig. Natuurlijke specimens werden en worden doorgaans door mensen geprepareerd om ze langdurig te bewaren en kunnen daarom ook als artefacten worden beschouwd, terwijl artefacten vaak van natuurlijke materialen zijn gemaakt en dus ook specimens omvatten. Bovendien kwamen materialen die in de koloniale tijd werden verzameld weliswaar vaak in verschillende soorten collecties terecht – zoals die van Naturalis en het Wereldmuseum – maar werden ze vaak door dezelfde mensen, op dezelfde plaatsen en op hetzelfde moment verzameld, en pas bij aankomst in Europa verdeeld. Door een pad en een foto te bestuderen die op dezelfde dag zijn gemaakt maar in verschillende soorten instellingen worden bewaard, laat deze blog zien dat het samenbrengen van collecties en bijbehorende documentatie uit verschillende instellingen ook kan bijdragen aan een beter begrip van de koloniale (collectie)geschiedenis, evenals van de geschiedenis van de instellingen die deze collecties tegenwoordig beheren.

Tot slot

Om de historische en huidige betekenis van objecten beter te begrijpen en om er ethisch verantwoord mee om te gaan, is informatie over hun herkomst en verwervingsgeschiedenis van essentieel belang. Herkomstonderzoek is een doorlopend proces voor musea. Het Consortium Koloniale Collecties ondersteunt instellingen die collecties beheren bij dit werk door kennis en informatie te delen en belanghebbenden een netwerk te bieden. Wilt u meer weten of informatie met ons delen? Neem alstublieft contact met ons op!


Referenties en verdere informatie
Deze blog is geschreven door Sofia Lovegrove. De informatie is afkomstig uit het Engelstalige artikel “Surinamese maroon and indigenous knowledge in the creation of natural and ethnographic collections housed in The Netherlands” geschreven door Inez de Ruiter, Tinde van Andel, Mariana Françozo en Caroline Fernandes Caromano uit 2025. Binnenkort volgt meer onderzoek in een artikel van Ruiter en Caromano, getiteld “Looking Beyond Knives, Buttons and Beaded Aprons: Indigenous and Maroon Agency in Colonial Collecting Practices and the Provenance of 10 Surinamese Objects in The Netherlands” (in het tijdschrift Museum International). De specifieke informatie over de pad is afkomstig uit e-mailcorrespondentie van Caromano en het onderzoek dat zij heeft uitgevoerd in samenwerking met de studenten Chamul Sardjoe (Anton de Kom Universiteit van Suriname) en Daan Zielinski (Universiteit Utrecht). Dit onderzoek zal worden uitgebreid in het kader van het project “Provenance Research of early twentieth century Surinamese botanical and zoological collections housed at Naturalis”, dat wordt gefinancierd door het Consortium Koloniale Collecties. Het herkomstonderzoek ging van start met Caromano’s Veni-project getiteld “Seeds in Amazonian Body Ornaments: Encapsulated Indigenous Histories, Aesthetic and Environmental Knowledge” (2021-2024), en vindt momenteel plaats in het kader van het NWA-consortium “Epistemologies: The Reinterpretation of Existing Traditional Knowledge in Suriname”, gecoördineerd door dr. Cheryl White (Anton de Kom Universiteit van Suriname). Beide projecten zijn gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Het artikel van Jack Ashby is getiteld “The Entwined Human and Environmental Costs of the Colonial Project” en verscheen in 2024.

Conferentie: Unsettling Heritage and Memory Futures

Datum: 17-19 juni, 2026
Locatie: Universiteit van Amsterdam
Organisation: Amsterdam School for Heritage, Memory and Material Culture, Universiteit van Amsterdam, Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO)
Voertaal: Engels

The Amsterdam School for Heritage, Memory and Material Culture, onderdeel van de Universiteit van Amsterdam, organiseert tussen 17-19 juni 2026 de conferentie Unsettling Heritage and Memory Futures: Decolonial Trajectories Between Crisis and Possibility. Deze driedaagse conferentie vindt plaats bij de Universiteit van Amsterdam en heeft als doel het voeren van dialoog over dekolonisatie, via individuele papers, panel discussies, en rondetafelgesprekken. Het programma omvat onder andere panels over de teruggave van objecten verzameld uit koloniale context, diasporische herinnering en koloniale musea. Deelname aan de conferentie is gratis. Je kunt je hier aanmelden.

[Tekst gaat verder in het Engels]

The conference departs from the idea that decoloniality is not merely an academic lens but a profound reorientation of knowledge and power. While rooted in twentieth-century South American scholarship, decoloniality now inspires a generation of scholarship and social movements. After years of vibrant scholarship and activism, we stand at a pivotal juncture. This conference brings together scholars, practitioners, artists, and activists to reflect on what decolonial approaches have disrupted, dismantled, and dreamt anew—and to critically assess their strengths, limitations, and futures. As resurgent nationalisms and neocolonial forces challenge gains made in diversifying heritage institutions, democratising memory practices, and centring marginalised voices, how do we sustain decolonial futures that remain precarious? This international conference examines decoloniality as a transformative praxis that reshapes our engagement with heritage, memory, and material culture.

You can find the full program below.

Met de nieuwe video tutorials navigeer je gemakkelijk door de Koloniale Collecties Datahub

De Koloniale Collecties Datahub is een digitaal platform dat informatie over collecties uit koloniale context samenbrengt, verrijkt en inzichtelijk maakt. Het samenbrengen van informatie die eerder verspreid lag over verschillende instellingen draagt bij aan het doen van herkomstonderzoek. Om gebruikers te ondersteunen bij het gebruik van het platform, lanceren we een serie aan video tutorials om je wegwijs te maken door de Datahub. De video tutorials vind je op de homepagina van de Datahub.

Wat kun je binnen de Datahub?

Erfgoed uit Suriname, Indonesië, Sri Lanka, Zuid-Afrika, Aruba, Curaçao, Sint-Maarten en vele andere landen en gebieden is allemaal te vinden in de digitale Koloniale Collecties Datahub. De Datahub biedt op een toegankelijke manier gemeenschappen en onderzoekers ruimte om perspectieven op de opgenomen data toe te voegen en op te zoeken. Je kunt naast het opzoeken van objecten uit koloniale collecties ook eigen perspectieven toevoegen om de Datahub verder te verrijken. Daarnaast kun je lid worden van communities en objecten voorzien van missende context vanuit herkomstgemeenschappen.

De video tutorials

De serie bestaat uit zes video’s waarmee je alles leert over het gebruiken van de Datahub.

Introductie van de Datahub

In deze video leer je over de basiselementen van de Datahub. Bijvoorbeeld dat de Datahub bestaat uit de onderdelen objecten, gemeenschappen en zoekhulpen; maar ook hoe je de Datahub in andere talen kunt gebruiken. Verder wordt er uitgelegd hoe je een account kunt aanmaken. Met een account kun je gebruik maken van alle functionaliteiten van de Datahub en objecten organiseren in persoonlijke lijsten.

Objecten zoeken

In de Nederlandse collecties zijn veel objecten verzameld uit koloniale context te vinden. In de Datahub kun je zoeken welke objecten dit zijn en meer te weten komen over hoe ze in Nederland zijn terechtgekomen. Met de tweede video tutorial leer je op welke manieren je objecten kunt zoeken. Aan de hand van filters kun je het onderzoek zo breed of specifiek maken als je wilt, je kunt aanpassen hoe je de zoekresultaten wilt zien en in welke volgorde. Ook krijg je uitleg over objectpagina’s en welke informatie je daar kunt vinden: denk aan metadata, lokale context, afbeeldingen of eigendomsinformatie.

Communities creëren en gebruiken

De Koloniale Collecties Datahub is niet alleen voor het zoeken van objecten, maar juist ook om gelijkgestemden te vinden en informatie en kennis met elkaar te delen. Gebruikers kunnen bijvoorbeeld andere onderzoekers vinden met dezelfde culturele achtergrond of hetzelfde onderzoeksonderwerp. Je kunt zelf een community aanmaken of lid worden van bestaande communities.

Eigen perspectieven toevoegen

Veel informatie over de objecten in de Nederlandse museale collecties die in koloniale periode zijn verzameld, en zo ook in de Datahub, is geschreven vanuit een Eurocentrisch perspectief. Daarom is het belangrijk dat de metadata van de objecten worden aangevuld met perspectieven uit herkomstgemeenschappen. Juist in de koloniale context is dit belangrijk. In deze video leer je hoe je dergelijke perspectieven en missende informatie kunt toevoegen aan objecten.

Lokale contexts annotaties toevoegen

In de vijfde video tutorial leer je hoe je lokale contexts annotaties kunt toevoegen aan de objecten in de Datahub. Deze annotaties zijn een belangrijke toevoeging voor de objecten uit koloniale context, omdat ze ruimte voor culturele gevoeligheden en waarden van herkomstgemeenschappen bieden. Hiermee kunnen de Eurocentrische perspectieven aangevuld worden met perspectieven uit de gemeenschappen zelf.

Digitale zoekhulpen

Het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, één van de Consortiumpartners, heeft digitale zoekhulpen ontwikkeld voor de Datahub en in deze laatste video tutorial leer je hoe je die kunt gebruiken. De digitale zoekhulpen zijn een van de drie onderdelen van de Datahub en zijn ontwikkeld om onderzoekers die herkomstonderzoek doen te ondersteunen. Er zijn zoekhulpen met algemene informatie en zoekhulpen over verschillende categorieën, thema’s, en locaties.

Seminar serie: Ethics in Action

Datum: Vanaf 21 april 2026 op verschillende momenten in april, mei en juni
Locatie: Online
Organisatie: WiNoDa Knowledge Lab
Voertaal: Engels

In moderne onderzoekspraktijken, bestaan verschillende kaders en procedures die zorgen voor hoge ethische standaarden die mens, natuur en cultureel erfgoed. Van wetenschappelijke collecties wordt vaak aangenomen dat de objecten ‘onproblematisch’ zijn en dat ethische vraagstukken minimaal zijn. Echter, wanneer deze verzamelpraktijken en historische contexten worden bestudeerd, worden complexe ethische vraagstukken duidelijk. Deze omvatten koloniale verzamelgeschiedenissen, ongelijke machtsverhoudingen, de reproductie van discriminerende stereotypen, potentiële risico’s voor bedreigde diersoorten en de complexe relatie tussen natuur, de geschiedenis van de mens en hedendaagse politiek. Deze seminar serie werpt licht op deze vraagstukken rondom wetenschappelijke collecties.

[Tekst gaat verder in het Engels]

In this seminar series, WiNoDa Knowledge Lab explores the ethics of data derived from scientific collections, covering topics ranging from dinosaur fossils to looted artefacts, as well as threathened species and genetic resources. Speakers will highight the importance of understanding the historical and ethical context of collection data, discuss the challenges of working with such materials responsibly, and present practical approaches and tools for addressing these complexities. The series aims to foster dialogue and collaboration towards more just, transparent, and responsible practices in the management and use of collection data. Several sessions focus specifically on the role of indigenous communities, restitution and objects in scientific collections collected from colonial contexts.

All sessions will be held online and in English. Participation is free, but registration is required. Click the button below to learn more about the themes, dates and times of the different seminars.

Cursus Herkomstonderzoek Koloniale Collecties

Datum: 21 mei en 10 juni
Locatie: 21 mei bij Wereldmuseum Leiden en 10 juni op locatie in Amersfoort
Organisatie: ErfgoedAcademie en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
Voertaal: Nederlands

Koloniale collecties omvatten erfgoed dat zijn herkomst heeft in een voormalige (Nederlandse) kolonie en mogelijk op discutabele wijze van eigendom is gewisseld tijdens deze koloniale periode. Medewerkers van musea en archieven hebben een belangrijke taak bij het uitvoeren van herkomstonderzoek naar deze collecties. Deze cursus, die de ErfgoedAcademie samen met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft ontwikkeld, is bedoeld om hen daarbij te ondersteunen.

Werk jij bij een museum of archief (bijvoorbeeld als curator of registrator) en heb je in je werk te maken met koloniale collecties? Heb je behoefte aan meer context? Zoek je nog naar argumenten om het belang van herkomstonderzoek duidelijk te maken? Weet je simpelweg niet hoe en waar te beginnen? Wil je handvatten voor onderliggende dilemma’s? Dan is deze cursus iets voor jou!

In de cursus staat herkomstonderzoek naar koloniale collecties centraal. Tijdens de eerste dag leer je over de geschiedenis achter koloniale collecties, het huidige beleid en de verantwoordelijkheden van diverse spelers in het stelsel. Ook krijg je concrete tips over de omgang met koloniale collecties van een museum met veel ervaring op dit gebied.

Tijdens de tweede cursusdag gaan we actief aan de slag met de Datahub van het Consortium Koloniale Collecties. Daarnaast zoomen we in op jouw eigen praktijk aan de hand van een casus die je voorbereid hebt. Bovendien bespreken we met elkaar een aantal belangrijke dilemma’s waar je mogelijk mee te maken krijgt.

Roofkunst Ontrafeld #3

Datum: 28 mei 2026
Tijd: 16:00
Locatie: Verzetsmuseum Amsterdam
Organisatie: Expertisecentrum Restitutie (ECR) van het NIOD en het Verzetsmuseum Amsterdam
Voertaal: Nederlands

Het Expertisecentrum Restitutie (ECR) van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en Verzetsmuseum Amsterdam presenteren Roofkunst Ontrafeld, een lezingenreeks die zich richt op minder belichte kanten van roofkunst en restitutie. Historici verbonden aan het NIOD presenteren recent onderzoek en verrassende inzichten en gaan de dialoog aan met het publiek, onder leiding van moderator Yuki Kho. Op 28 mei presenteert onderzoeker Maarten van der Bent de lezing De Dubois-collectie: 28.000 fossielen en een Indische stem.

In september 2025 besloot de Nederlandse overheid dat een verzamelding van maar liefst 28.000 fossielen uit de collectie van Naturalis teruggaat naar Indonesië. Deze Dubois-collectie, die onder leiding van de Nederlandse paleontoloog Eugène Dubois eind negentiende eeuw in Indonesië werden opgegraven, werd al decennialang door Indonesië teruggevraagd. Minder bekend is echter dat de roep om restitutie in de koloniale tijd klonk. Wat was het belang van deze ‘wetenschappelijk collectie’ voor Nederlanders, Indische Nederlanders en Indonesiërs?