Herkomstonderzoek blog #6
In deze serie blogs presenteert het Consortium Koloniale Collecties een historisch object of collectie uit een voormalige koloniale context of situatie, dat momenteel (of tot voor kort) wordt bewaard in een museum in Nederland en waarnaar herkomstonderzoek is gedaan. In elke blog wordt uitgelegd welke stappen het betreffende museum of de betreffende herkomstonderzoeker heeft gezet om het onderzoek uit te voeren. Welke verhalen gaan schuil achter het object en wat kunnen ze ons vertellen over het koloniale verleden van Nederland?
Deze keer in de spotlight: een pad en een foto uit Suriname
Deze blog gaat over een exemplaar van een pad uit het Naturalis Biodiversity Center (RMNH.RENA.29133) en een historische foto uit het Wereldmuseum (RV-A103-1-83). Deze twee voorwerpen, die in verschillende musea worden bewaard, zijn onderzocht in het kader van breder onderzoek naar de rol die individuele Marrons en Inheemse personen in Suriname hebben gespeeld bij het samenstellen van natuurhistorische en etnografische collecties die momenteel in Nederland worden beheerd. Het onderzoek heeft tot doel de veronderstellingen achter het koloniale archief te belichten en te laten zien welke rol herkomstonderzoek kan spelen bij het reconstrueren van een vollediger beeld van de geschiedenis, in dit geval van wetenschappelijk onderzoek in Suriname.
De pad werd op dezelfde dag gevangen als de foto werd genomen – 12 september 1904 – in het kader van een reeks expedities in opdracht van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG), namelijk Coppename (1901), Saramacca (1902), Gonini (1903), Tapanahoni (1904) en Toemoekhoemak (1907). De KNAG werd in 1873 opgericht om geografisch onderzoek over de hele wereld te bevorderen. Dit gebeurde in een tijd waarin in Nederland en andere Europese landen vele wetenschappelijke verenigingen werden opgericht, gedreven door ambities op het gebied van ontwikkeling en vooruitgang. In de negentiende en twintigste eeuw organiseerde de KNAG verschillende expedities om gebieden in kaart te brengen die toen door Nederland werden bezet. Deze waren daarnaast gericht op het verzamelen van planten, mineralen en dieren en ook culturele voorwerpen, met als doel kennis te vergaren over deze contreien en de volkeren die er leefden en het potentieel voor commerciële exploitatie te verkennen.

De kennis die tijdens deze expedities is opgedaan is grotendeels toegeschreven aan de Nederlanders die hierbij betrokken waren. Namelijk militair officier Alphons Franssen-Herderschee, Gerard Versteeg, een student geneeskunde en expeditie-arts, en Claudius Henricus de Goeje, een cartograaf bij de Koninklijke Marine, die alle drie deelnamen aan de expedities van Gonini en Tapanahoni. Recent en lopend onderzoek door onderzoekers verbonden aan het Naturalis Biodiversity Center – Caroline Fernandes Caromano, Inez de Ruiter, Tinde van Andel, Mariana Françozo, Daan Zielinski en Chamul Sardjoe – toont echter aan dat dit beeld gevormd is onder invloed van vertekeningen en weglatingen in de koloniale archieven.
De onderzoekers hebben herkomstonderzoek verricht naar natuurhistorische en etnografische collecties op een manier die de perspectieven en ervaringen van de Inheemse bevolking en de Marrons zichtbaar maakt en daarmee het heersende beeld van de wetenschappelijke verkenning in Suriname in het begin van de twintigste eeuw ter discussie stelt. Aangezien de Nederlandse bronnen uitsluitend door Nederlandse expeditieleden zijn geschreven, geven ze een vertekend beeld; ze zijn vaak gekleurd door raciale vooroordelen en bieden een eenzijdig perspectief op de ervaringen van de lokale werkkrachten. Toch kan een kritische analyse van deze bronnen belangrijke inzichten opleveren. Zo hebben de onderzoekers een nauwkeuriger en vollediger beeld kunnen schetsen van de wetenschappelijke verkenning in deze context, waaruit blijkt dat deze expedities sterk afhankelijk waren van lokale werkkrachten, namelijk Afro-Surinamers (zowel Marrons als arbeiders uit Paramaribo) en Inheemse personen. Hun kennis van de gebieden die werden verkend was cruciaal voor de veiligheid van de teams, maar ook voor de kennisontwikkeling en het verzamelen van natuurlijk materiaal en artefacten die nu in Nederlandse musea worden bewaard.
De laatste jaren richt herkomstonderzoek zich steeds vaker op microgeschiedenis, waardoor er een completer beeld van de (koloniale) geschiedenis kan worden geschetst en gedeeld. In dit geval hebben de onderzoekers zowel de officiële verslagen van de expeditieleiders bestudeerd als hun dagboeken, die een persoonlijker beeld van de ervaringen geven, inclusief details over de contacten en relaties met lokale werkkrachten. Ook wordt correspondentie geraadpleegd om de verhalen in deze dagboeken te bevestigen of te weerleggen. Een digitaal archief met foto’s van de expedities, dat momenteel wordt bewaard in het Wereldmuseum en de Universitaire Bibliotheken Leiden, vormt een aanvulling op de schriftelijke documentatie, aangezien deze foto’s helpen om een beeld te geven van de gebeurtenissen en personen die in de verslagen worden beschreven. Tot slot kunnen in sommige gevallen de etiketten op de voorwerpen zelf onverwachte informatie opleveren. Dat is het geval bij de pad die in deze blog wordt besproken.


De pad behoort tot de Bufo marinus-soort (Linnaeus, 1758); de huidige wetenschappelijke naam is Rhinella marina (Linnaeus, 1758) en hij staat algemeen bekend als de reuzenpad of de aga-pad. Hoewel wetenschappelijke kennis vaak wordt gezien als ahistorisch, neutraal en universeel, is zij – net als de officiële verslagen van wetenschappelijke expedities aan het begin van de twintigste eeuw – het product van historische, politieke en maatschappelijke contexten. Het gebruik van het Latijn komt bijvoorbeeld voort uit het feit dat, toen de Zweedse bioloog Carl Linnaeus in de achttiende eeuw zijn classificatiesysteem ontwikkelde, dit de lingua franca was van de geschoolde Europeanen, en zo de basis vormde voor de naamgeving van de natuurlijke wereld. Bovendien werden natuurlijke elementen zoals planten, dieren, rivieren en bergen vaak vernoemd naar de Europese mannen die ze zouden hebben ontdekt. Zo werden twee van de soorten die tijdens de Gonini-expeditie werden verzameld vernoemd naar Versteeg: de Arthrosaura reticulata versteegii en de Laelaps versteegi.
Het interne dossier van de pad bij Naturalis vermeldt de datum waarop het dier is gevangen – 12 september 1904 – waaruit blijkt dat dit tijdens de Tapanahoni-expeditie is gebeurd. De belangrijkste doelstellingen van deze expeditie waren het in kaart brengen van de Tapanahoni-rivier, het verkennen van de Surinamerivier en de verwerving van etnografische collecties, met name van de Wayana- en Trio-gemeenschappen. Op het etiket dat samen met de pad in alcohol is bewaard, staan zowel de datum vermeld als de lokale naam voor de pad – “Toddo” – in het Sranan Tongo, de creoolse taal van Suriname. Op het etiket staat ook het woord Telompaga, wat volgens het rapport van Franssen-Herderschee uit 1905 (“Verslag van de Tapanahoni-Expeditie”) de inheemse naam is (mogelijk van het Wayana-volk) voor een gebied met stroomversnellingen op een deel van de Paloemeu-rivier, die bij het dorp Paloemeu samenvloeit met de Tapanahoni-rivier. Franssen-Herderschee vermeldt in zijn verslag ook dat de Marrons deze plek “Trombaka” noemen, wat ‘gebied van terugkeer’ betekent, omdat het een moeilijk toegankelijk gebied is met veel rotsen, stroomversnellingen en watervallen, waar boten vaak niet doorheen konden. Deze informatie samen wijst er al op dat Marrons en Inheemse personen bij deze expeditie betrokken waren.
Uit het archiefonderzoek van Caroline Fernandes Caromano en haar collega’s blijkt dat er 28 mensen bij de Tapanahoni-expeditie werkten, voornamelijk Afro-Surinaamse werkkrachten (tenzij in de volgende zin anders vermeld). Hun namen waren Copijn, Andreas, Koffie, Soekroe, Karel, Madonné, Paté (gids), Malo (gids), Sully (kok), Madretsma (tweede kok), Sindélé, Sako, Makandro, Akrosi, kleinzoon van Oseisi (gids/tolk), Sonie (gids/tolk), Melchiot, Roozendaal, Dens, Leeflang, Heerde, Henze, Teboe, Lebitetei, Abaaitong, Brandon, Ho-a-Hing (Chinees), Johannes (Inheems, Kali’na), William (Inheems, Kali’na).

Deze blog is gebaseerd op recent onderzoek naar natuurhistorische en etnografische collecties en laat zien hoe herkomstonderzoek kan helpen bepaalde vertekeningen recht te zetten en de heersende verhalen over wetenschappelijke expedities in Suriname ter discussie te stellen. De combinatie van dagboekanalyses en directe objectanalyses van verschillende collecties schetst een beeld van mensen uit de lokale bevolking die voorheen uit het officiële verhaal waren weggelaten. De diepgaande kennis die individuen uit Inheemse en Marron-gemeenschappen hadden van de lokale omgeving en hun vermogen om Nederlandse wetenschappers te begeleiden bij het vinden, verzamelen en identificeren van planten en dieren, evenals de actieve rol van lokale leiders bij het faciliteren van de toegang en uitwisselingen tussen de Nederlandse onderzoekers en de lokale gemeenschappen, waren essentieel voor het tot stand komen van de collecties die nu in Nederlandse musea worden bewaard. Door herkomstonderzoek zijn lokale verzamelaars en hun onmisbare rol in kaart gebracht; hun namen moeten dan ook worden erkend en opgenomen in de inventarissen van etnografische en natuurhistorische collecties.
In dit laatste deel staan we ook stil bij een ander vraagstuk dat zich voordoet bij musea als Naturalis en het Wereldmuseum in Leiden, en dat soms een uitdaging kan vormen voor herkomstonderzoek. Volgens de principes van de Westerse wetenschap wordt natuurlijk materiaal dat verband houdt met planten, dieren en aardse systemen beschouwd als “specimen” of “exemplaar” en wordt dit traditioneel ondergebracht in natuurhistorische collecties, terwijl door mensen gemaakte voorwerpen “artefacten” vormen en worden ondergebracht in etnografische of wereldcultuurcollecties. Zoals wetenschappers en museumprofessionals als Jack Ashby echter hebben betoogd – en zoals uit het hier gepresenteerde onderzoek blijkt – is deze scheiding tussen natuur en cultuur kunstmatig. Natuurlijke specimens werden en worden doorgaans door mensen geprepareerd om ze langdurig te bewaren en kunnen daarom ook als artefacten worden beschouwd, terwijl artefacten vaak van natuurlijke materialen zijn gemaakt en dus ook specimens omvatten. Bovendien kwamen materialen die in de koloniale tijd werden verzameld weliswaar vaak in verschillende soorten collecties terecht – zoals die van Naturalis en het Wereldmuseum – maar werden ze vaak door dezelfde mensen, op dezelfde plaatsen en op hetzelfde moment verzameld, en pas bij aankomst in Europa verdeeld. Door een pad en een foto te bestuderen die op dezelfde dag zijn gemaakt maar in verschillende soorten instellingen worden bewaard, laat deze blog zien dat het samenbrengen van collecties en bijbehorende documentatie uit verschillende instellingen ook kan bijdragen aan een beter begrip van de koloniale (collectie)geschiedenis, evenals van de geschiedenis van de instellingen die deze collecties tegenwoordig beheren.
Om de historische en huidige betekenis van objecten beter te begrijpen en om er ethisch verantwoord mee om te gaan, is informatie over hun herkomst en verwervingsgeschiedenis van essentieel belang. Herkomstonderzoek is een doorlopend proces voor musea. Het Consortium Koloniale Collecties ondersteunt instellingen die collecties beheren bij dit werk door kennis en informatie te delen en belanghebbenden een netwerk te bieden. Wilt u meer weten of informatie met ons delen? Neem alstublieft contact met ons op!
Referenties en verdere informatie
Deze blog is geschreven door Sofia Lovegrove. De informatie is afkomstig uit het Engelstalige artikel “Surinamese maroon and indigenous knowledge in the creation of natural and ethnographic collections housed in The Netherlands” geschreven door Inez de Ruiter, Tinde van Andel, Mariana Françozo en Caroline Fernandes Caromano uit 2025. Binnenkort volgt meer onderzoek in een artikel van Ruiter en Caromano, getiteld “Looking Beyond Knives, Buttons and Beaded Aprons: Indigenous and Maroon Agency in Colonial Collecting Practices and the Provenance of 10 Surinamese Objects in The Netherlands” (in het tijdschrift Museum International). De specifieke informatie over de pad is afkomstig uit e-mailcorrespondentie van Caromano en het onderzoek dat zij heeft uitgevoerd in samenwerking met de studenten Chamul Sardjoe (Anton de Kom Universiteit van Suriname) en Daan Zielinski (Universiteit Utrecht). Dit onderzoek zal worden uitgebreid in het kader van het project “Provenance Research of early twentieth century Surinamese botanical and zoological collections housed at Naturalis”, dat wordt gefinancierd door het Consortium Koloniale Collecties. Het herkomstonderzoek ging van start met Caromano’s Veni-project getiteld “Seeds in Amazonian Body Ornaments: Encapsulated Indigenous Histories, Aesthetic and Environmental Knowledge” (2021-2024), en vindt momenteel plaats in het kader van het NWA-consortium “Epistemologies: The Reinterpretation of Existing Traditional Knowledge in Suriname”, gecoördineerd door dr. Cheryl White (Anton de Kom Universiteit van Suriname). Beide projecten zijn gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Het artikel van Jack Ashby is getiteld “The Entwined Human and Environmental Costs of the Colonial Project” en verscheen in 2024.
Herkomstonderzoek blog #5
In deze serie blogs presenteert het Consortium Koloniale Collecties een historisch object of collectie uit een voormalige koloniale context of situatie, dat momenteel (of tot voor kort) wordt bewaard in een museum in Nederland en waarnaar herkomstonderzoek is gedaan. In elke blog wordt uitgelegd welke stappen het betreffende museum of de betreffende herkomstonderzoeker heeft gezet om het onderzoek uit te voeren. Welke verhalen gaan schuil achter het object en wat kunnen ze ons vertellen over het koloniale verleden van Nederland?
Deze keer in de spotlight: een reliëfplaat uit het Koninkrijk Benin in Nigeria
In deze blog zoomen we in op één enkel voorwerp: een gegoten bronzen plaquette met een reliëfafbeelding van een moddervis. Dit object maakt deel uit van de grote en versnipperde collectie koninklijke artefacten uit het Koninkrijk Benin (tegenwoordig gelegen in de staat Edo in Nigeria) die aan het einde van de negentiende eeuw zijn geroofd. Deze historische voorwerpen – gezamenlijk bekend als de Benin Bronzen – zijn een uitdrukking van de cultuur, geschiedenis en kunst van Benin. Ze zijn gemaakt door gespecialiseerde gilden die werkten voor het koninklijk hof van de Oba (koning) in Benin City, gelegen in het hedendaagse Nigeria. De Benin Bronzen omvatten bijvoorbeeld rijk versierde gegoten plaquettes, hoofden van voorouders, dier- en mensfiguren en persoonlijke ornamenten. Ze werden vanaf ten minste de zestiende eeuw vervaardigd en oorspronkelijk gebruikt als koninklijke kunstwerken om historische gebeurtenissen uit te beelden, voor verering en voor ritueel gebruik. Deze voorwerpen werden in 1897 door Britse troepen uit het Koninkrijk Benin geroofd en na deze gewelddadige militaire operatie over de hele wereld verspreid.
De Benin Bronzen hebben de afgelopen jaren veel aandacht gekregen omdat ze centraal kwamen te staan in debatten in Europa over het onder ogen zien van het koloniale verleden en de noodzaak om de vele historische bezittingen terug te geven die destijds, vaak onder gewelddadige omstandigheden, naar Europese musea zijn gebracht. Hoewel het lijkt alsof het debat over restitutie in Westerse contexten vrij recent is, gaat er een decennialang proces aan vooraf, met talloze pogingen van voormalige gekoloniseerde gemeenschappen en landen om hun historische bezittingen en voorouderlijke resten terug te krijgen. Volgens het beknopte overzicht van Eiloghosa Oghogho Obobaifo worden er al sinds de jaren zestig van de vorige eeuw pogingen tot restitutie van de Benin Bronzen gedaan. Bénédicte Savoy beschrijft deze en vele andere pogingen tot restitutie op het Afrikaanse continent in haar recente boek Africa’s Struggle for Its Art.
De situatie lijkt langzaam te veranderen, nu Europese landen steeds meer bereid zijn om een deel van de tijdens de koloniale tijd geroofde bezittingen terug te geven. Zo heeft Nederland, in navolging van andere landen, 119 Benin-bronzen teruggegeven aan de Nigeriaanse regering in de zomer van 2025.

De reliëfplaat (of Ama in het Edo) met de afbeelding van een moddervis maakte tot voor kort deel uit van de collectie van Museum de Fundatie in Zwolle. De collectie van dit museum bestaat uit meer dan 11.000 objecten en is samengesteld uit verschillende, voornamelijk particuliere, collecties. De basis werd gelegd door Dirk Hannema (1895-1984), een kunstkenner en initiatiefnemer van de Stichting Hannema-de Stuers, de voorloper van Museum de Fundatie. Voordat de reliëfplaat met geweld werd weggehaald, maakte deze waarschijnlijk deel uit van de versiering van het Koninklijk Paleis van de Oba in het huidige Benin City.
Aanvankelijk richtte herkomstonderzoek in Nederland (net als in andere contexten) zich vooral op objecten die in de periode 1933-1945 onder dwang waren ontnomen. Tussen 2009 en 2013 nam Museum de Fundatie deel aan een nationaal project van de Nederlandse Museumvereniging om vast te stellen of objecten in collecties verband hielden met deze geschiedenis. In dit kader werd de herkomst van het Benin Brons van Museum de Fundatie alleen onderzocht in relatie tot de periode 1933-1945. Dit gebeurde door de collectiedatabase, het archief van het museum en andere bronnen te onderzoeken.
In 2020 kreeg het debat over de teruggave van koloniale collecties opnieuw aandacht in Europa, wat het museum ertoe aanzette om meer informatie te verzamelen over de oorsprong, authenticiteit en herkomst van het object. Tot dan toe was de geschiedenis van de reliëfplaat slechts tot 1937 terug te voeren. Wat was er al bekend over de geschiedenis van de plaquette? Uit een notitie van Dirk Hannema, de oprichter van Museum de Fundatie, bleek dat hij het reliëf in 1937 had gekocht via kunsthandelaar Carel van Lier in Amsterdam, die het object in bruikleen had gekregen uit een tentoonstelling van de Parijse handelaar Charles Ratton. Uit archiefonderzoek is gebleken dat een bas-reliëf van een vis die sterk lijkt op de plaquette van Museum de Fundatie op 26 juni 1930 door veilinghuis Messrs. Foster aan Pall Mall in Londen is verkocht. Vermoedelijk heeft Ratton het object daar gekocht. In de veilingcatalogus staat dat het afkomstig was uit de collectie van een ‘gentleman’ en eerder was tentoongesteld in het Brighton Museum (nu Brighton & Hove Museums). Dit ondersteunt de hypothese dat het stuk in het Verenigd Koninkrijk terecht is gekomen via een Britse officier die mogelijk betrokken was bij de plundering in 1897.
Aangezien archiefonderzoek geen verdere informatie opleverde over de herkomst van de reliëfplaat, besloot het museum deze in juli 2025 aan een technische analyse te onderwerpen. Een XRF-scan (röntgenfluorescentiespectometrie), een niet-destructieve analysetechniek die wordt gebruikt om de elementaire samenstelling van materialen zoals metalen, kunststoffen of bodem te bepalen, toonde aan dat de plaat van messing is gemaakt en geen sporen van nikkel bevat. Dit feit versterkte het vermoeden dat dit een historisch stuk is dat in Benin is gemaakt, en geen moderne reproductie. Uit een daaropvolgende chemische analyse van een klein monster bleek dat het metaal bestaat uit messing met kleine hoeveelheden lood en tin, een samenstelling die overeenkomt met het messing dat in Benin en in Europese manilla’s werd gebruikt – hoefijzervormige stukken metaal die voornamelijk als betaalmiddel functioneerden. De loodisotopenverhoudingen vertonen ook een sterke gelijkenis met die van manilla’s uit een achttiende-eeuws scheepswrak dat voor de kust van Cape Cod is gevonden, wat de herkomst van het stuk verder bevestigt. Hoewel nog steeds niet met zekerheid kan worden vastgesteld hoe de reliëfplaat na de plundering in 1897 in Parijs terecht is gekomen, kon aan de hand van materiaalonderzoek de herkomst van deze plaquette in de collectie van Museum de Fundatie bevestigd worden.


In deze blog hebben we gezien hoe verschuivende maatschappelijke discussies over het koloniale verleden van invloed kunnen zijn op de manier waarop musea hun collecties benaderen en onderzoeken. Dit voorbeeld laat verder zien dat in sommige gevallen materiële analyse van historische objecten of collecties vragen kan beantwoorden die met archiefonderzoek niet met zekerheid kunnen worden opgehelderd. In het licht van de conclusies van het herkomstonderzoek heeft Museum de Fundatie de reliëfplaat in november 2025 teruggegeven aan het Koninklijk Huis van Benin. Bovendien werd de plaquette omgedoopt tot Ama O Ghe Ehen (plaquette van een vis) en zo wordt ze nu ook genoemd, dankzij het eerste onderzoek van Osaisonor Godfrey Ekhator-Obogie.
In 2026 opende het museum ter gelegenheid van deze teruggave een tentoonstelling samengesteld door Aude Christel Mgba (conservator hedendaagse kunst). Onder de titel Back To Benin – Nieuwe Kunst, Eeuwenoud Erfgoed brengt de tentoonstelling tien hedendaagse Nigeriaanse kunstenaars van Edo-afkomst samen, die zich voor hun nieuwe werk lieten inspireren door de plaquette en zo een dialoog aangaan met geschiedenis, symboliek en culturele herinnering. De kunstenaars in deze tentoonstelling zijn Osaze Amadasun, Minne Atairu, Leo Asemota, Victor Ehikhamenor, Taiye Idahor, Favour Jonathan, Osaru Obaseki, Enotie Ogbebor, Abraham Onoriode Oghobase en Phil Omodamwen. Na afloop van de tentoonstelling, zal de Ama O Ghe Ehen ook fysiek terugkeren naar Benin City.
Het herkomstonderzoek naar de reliëfplaat is uitgevoerd met financiële ondersteuning van het Consortium Koloniale Collecties.
Om de historische en huidige betekenis van objecten beter te begrijpen en om er ethisch verantwoord mee om te gaan, is informatie over hun herkomst en verwervingsgeschiedenis van essentieel belang. Herkomstonderzoek is een doorlopend proces voor musea. Het Consortium Koloniale Collecties ondersteunt instellingen die collecties beheren bij dit werk door kennis en informatie te delen en belanghebbenden een netwerk te bieden. Wilt u meer weten of informatie met ons delen? Neem alstublieft contact met ons op!
Referenties en verdere informatie
Deze blog is geschreven door Sofia Lovegrove. Het herkomstonderzoek dat wordt besproken is uitgevoerd door Kristian Garssen, Johan Koers en Aude Christel Mgba. Het rapport is gepubliceerd in de catalogus van de tentoonstelling Back To Benin – Nieuwe Kunst, Eeuwenoud Erfgoed in Museum de Fundatie. De informatie in deze blog is afkomstig uit dit onderzoek en uit e-mailcorrespondentie met Aude Christel Mgba.
Herkomstonderzoek blog #4
In deze serie blogs presenteert het Consortium Koloniale Collecties een historisch object of collectie uit een voormalige koloniale context of situatie, dat momenteel (of tot voor kort) wordt bewaard in een museum in Nederland en waarnaar herkomstonderzoek is gedaan. In elke blog wordt uitgelegd welke stappen het betreffende museum of de betreffende herkomstonderzoeker heeft gezet om het onderzoek uit te voeren. Welke verhalen gaan schuil achter het object en wat kunnen ze ons vertellen over het koloniale verleden van Nederland?
Deze keer in de spotlight: de Dubois-collectie.
De Dubois-collectie maakte tot voor kort deel uit van de Rijkscollectie van de Staat van Nederland en werd beheerd door Naturalis Biodiversity Center in Leiden. De collectie bestaat uit ongeveer 28.000 fossielen die zijn verzameld door de Nederlandse wetenschapper Eugène Dubois (1858-1940) in het voormalige Nederlands-Indië. De meeste fossielen zijn tussen 1888 en 1900 onder leiding van Dubois op Java en Sumatra opgegraven. Ze spelen een belangrijke rol in de kennis en het wetenschappelijke debat over de evolutie van de mens en vroege mensachtigen. Dubois wilde Darwins evolutietheorie bewijzen door op zoek te gaan naar de ‘missing link’ tussen apen en mensen (Homo sapiens). De belangrijkste stukken in de collectie van Dubois zijn fossielen van Pithecanthropus erectus (in de volksmond bekend als de Javamens, later wetenschappelijk opnieuw geclassificeerd als Homo erectus), namelijk een dijbeen, een schedelkapje en een kies.
In de loop der tijd kregen de fossielen – en met name de Javamens – culturele en politieke betekenis, zowel voor Indonesië als voor Nederland. Ze stonden decennialang centraal in discussies over restitutie. Anders dan in eerdere blogs betreft het hier een natuurhistorische collectie en geen culturele voorwerpen of eigendommen. Uit het onderzoek blijkt echter dat deze indeling niet altijd logisch of constructief is. Zoals in deze blog is te lezen, maakten de aard van de collectie, de gelaagde betekenissen die deze in de loop der jaren heeft gekregen en de decennialange discussies over het rechtmatige eigendom ervan het herkomstonderzoek bijzonder complex en multidisciplinair.

Al vanaf het moment dat de fossielen werden opgegraven, bestaat er discussie over de Dubois-collectie, zowel wat betreft de wetenschappelijke waarde als het eigendomsrecht ervan. In 2022 heeft de Republiek Indonesië een officiële aanvraag ingediend voor de teruggave van de collectie, waarna de Nederlandse staatssecretaris van Cultuur de Commissie Koloniale Collecties heeft gevraagd om advies uit te brengen over dit verzoek. Een centrale vraag was of een natuurhistorische collectie in aanmerking kwam voor teruggave op grond van het Nederlandse restitutiebeleid, dat zich primair richt op cultuurgoederen, en zo ja, op welke gronden. De Commissie Koloniale Collecties volgde hier het Memorie van Toelichting (2014) bij de Nederlandse Erfgoedwet dat stelt dat ‘Ook geologische en biologische specimina tot het begrip [cultuurgoed] behoren’ (zie Kamerstuk II 2014/15, 34109, nr. 3, page 60).
Om de staatssecretaris te kunnen adviseren, heeft de Commissie Koloniale Collecties, in navolging van de restitutieprocedure, de instelling die destijds de collectie beheerde – Naturalis – verzocht om herkomstonderzoek te doen. Hierover kwam in 2023 een rapport uit. De Commissie wilde echter meer historische informatie over de context waarin de opgravingen plaatsvonden, over de juridische en culturele aspecten omtrent eigendomskwesties (van zowel de collectie zelf als de grond waaruit deze is opgegraven) en over de verscheping van de materialen naar Nederland. Een multidisciplinair team van onderzoekers – met expertise op het gebied van cultuurhistorie en recht – werd benaderd om dit aanvullende onderzoek uit te voeren.
Vanwege tijdsdruk, de omvang van het onderzoek en de vereiste expertise werd het aanvullende herkomstonderzoek uitgevoerd door vier onderzoekers van het Expertisecentrum Restitutie van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (Maarten van der Bent, Rosalie Hans, Wiebe Reints en Klaas Stutje), die zich voornamelijk richtten op historisch onderzoek in Nederland. De Indonesische onderzoeker Yuanita Wahyu Pratiwi deed archiefonderzoek in Indonesische archieven, dat werd geïntegreerd in het rapport van het NIOD. Juridische experts Tristam Moeliono uit Indonesië en Jelle Jansen uit Nederland bogen zich over de juridische aspecten.


Herkomstonderzoek richt zich meestal op het moment waarop een voorwerp of collectie van eigenaar veranderde en in Nederlandse koloniale handen kwam. Het onderzoek naar de Dubois-collectie beslaat daarentegen een geschiedenis van meer dan 150 jaar. Er is gekeken naar de periode waarin de fossielen zijn opgegraven (en onder welke omstandigheden), de wetenschappelijke context en culturele waarden die destijds in Nederlands-Indië aan fossielen werden toegekend en officiële overeenkomsten over het eigendom en de opslag van de collectie in de eerste helft van de twintigste eeuw. Ook is gekeken naar de politieke en culturele belangstelling voor de collectie vanuit de onafhankelijke Indonesische staat sinds de jaren vijftig. Het omvatte onderzoek naar een uitgebreide collectie archiefmateriaal, waaronder Nederlandse overheidscorrespondentie en andere documenten die worden bewaard in het Nationaal Archief, historische correspondentie die wordt bewaard in het archief van de Universiteit Leiden en in het Nationaal Archief van Indonesië.
Het onderzoek van het NIOD-team bracht onder meer aan het licht dat de fossielencollectie die onder leiding van Dubois in Indonesië werd opgegraven naast wetenschappelijke waarde ook altijd politieke en culturele betekenis heeft gehad – eerst vanuit een lokaal Javaans perspectief, later vanuit een Indisch perspectief en na de onafhankelijkheid vanuit een Indonesisch perspectief. Bovendien laat het zien dat de collectie en haar geschiedenis moeten worden gezien als verweven met een koloniaal systeem dat zich kenmerkte door ongelijke machtsverhoudingen. De koloniale staat en het leger hielpen Dubois om op verschillende plekken opgravingen te laten doen, bijvoorbeeld door een groot aantal dwangarbeiders te leveren die bij de opgravingen moesten werken. Uit het onderzoek kwam ook naar voren dat de plekken waar fossielen werden gevonden in spiritueel en economisch opzicht belangrijk waren voor de lokale bevolking, en dat de lokale bevolking en handelaren soms niet wilden vertellen waar die plekken waren. Gezien de omstandigheden waarin de fossielen werden gevonden, is het aannemelijk dat ze tegen de wil van de lokale bevolking zijn meegenomen.
Het onderzoek naar de juridische aspecten was bepalend voor het advies van de Commissie Koloniale Collecties. Het toonde op basis van overeenkomsten tussen Nederlandse koloniale en bestuursambtenaren aan dat de Dubois-collectie nooit eigendom van de Nederlandse staat is geworden. Van bijzonder belang was de bepaling in het decreet van de gouverneur-generaal van 1889 dat Dubois toestond om op Java en Sumatra te werken, waarin stond dat Dubois verplicht was om de opgegraven fossielen ter beschikking te stellen aan de koloniale regering van voormalig Nederlands-Indië. Bovendien was het zo dat toen de collectie in de jaren 1890 naar Nederland werd overgebracht om door Dubois te worden beschreven en bestudeerd, dit gebeurde op voorwaarde dat deze eigendom bleef van de koloniale regering. In 1933 besloot minister van Koloniën Colijn dat de collectie zou worden overgebracht naar het toenmalige Nationaal Museum voor Geologie en Mineralogiein Leiden, maar pas nadat Dubois zijn werk had voltooid. In 1940 overleed Dubois voordat hij klaar was met het verwerken van de collectie, waardoor niet aan de opschortende voorwaarde was voldaan. Op basis van deze informatie concludeerde de Commissie dat de Republiek Indonesië, als rechtsopvolger van de regering van Nederlands-Indië, de rechtmatige eigenaar van de collectie is. Dit werd nog eens onderstreept door de bevinding dat de opgravingen plaatsvonden op grond die eigendom was van de regering van Nederlands-Indië.
Na een proces van drie jaar en op basis van uitgebreid onderzoek van vijf maanden heeft de Commissie Koloniale Collecties geadviseerd om de Dubois-collectie onvoorwaardelijk terug te geven aan Indonesië. Op 26 september 2025 kondigde de Nederlandse minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan dat de collectie van 28.000 fossielen zou worden teruggegeven aan Indonesië. De fossielen die bekend staan als de Javamens werden op 17 december 2025 teruggegeven aan Indonesië, de rest van de collectie volgt in de komende maanden.
Het belang van de Dubois-collectie kan niet los worden gezien van het koloniale verleden van Nederland en Indonesië. Door de culturele geschiedenis van de collectie centraal te stellen in het herkomstonderzoek (naast de wetenschappelijke waarde ervan), komt een verhaal naar voren waarin alle facetten van het (post)koloniale verleden zichtbaar worden: van de onderdrukking van de lokale Indonesische bevolking tot de ontwikkeling van hedendaagse wetenschappelijke disciplines in Nederland, Nederlands-Indië en Indonesië en de ambigue postkoloniale betrekkingen tussen Nederland en Indonesië in de tweede helft van de twintigste eeuw.
Deze blog laat zien dat natuurhistorische collecties – hoewel ze vaak als puur wetenschappelijk en dus ‘neutraal’ worden beschouwd – niet los kunnen worden gezien van culturele en politieke ontwikkelingen en dat ze niet uitsluitend wetenschappelijke waarde hebben. Bovendien roept het belangrijke vragen op over het traditionele onderscheid tussen cultuurhistorische (of etnografische) en wetenschappelijke (of natuurhistorische) collecties. Om deze reden moeten de huidige discussies over de teruggave van voorwerpen die in de koloniale tijd zijn verzameld of geroofd worden uitgebreid zodat ze niet alleen betrekking hebben op culturele voorwerpen, maar ook op andere soorten collecties.
Om de historische en huidige betekenis van objecten beter te begrijpen en om er ethisch verantwoord mee om te gaan, is informatie over hun herkomst en verwervingsgeschiedenis van essentieel belang. Herkomstonderzoek is een doorlopend proces voor musea. Het Consortium Koloniale Collecties ondersteunt instellingen die collecties beheren bij dit werk door kennis en informatie te delen en belanghebbenden een netwerk te bieden. Wilt u meer weten of informatie met ons delen? Neem alstublieft contact met ons op!
Referenties en verdere informatie
Deze blog is geschreven door Sofia Lovegrove. De informatie is afkomstig uit de herkomstonderzoeksrapporten die deel uitmaken van de aanbeveling van de onafhankelijke Commissie Koloniale Collecties, op een artikel geschreven door herkomstonderzoeker Wiebe Reints en gepubliceerd op de website van het NIOD, en op een telefoongesprek met herkomstonderzoeker Klaas Stutje. Meer informatie over de teruggave van de Dubois-collectie is te vinden op de website van de Nederlandse overheid. Voor meer informatie over het Nederlandse beleid ten aanzien van collecties uit een koloniale context verwijzen wij u naar de website van het Consortium Koloniale Collecties.
Herkomstonderzoek blog #3
In deze blogserie tonen we een historisch object of collectie uit een voormalige koloniale context of situatie, die momenteel wordt (of tot kortgeleden werd) bewaard in een museum in Nederland en waarnaar herkomstonderzoek is gedaan. Met deze blogs willen we inzicht geven in het belang van herkomstonderzoek en de verschillende manieren laten zien waarop dit type onderzoek kan worden benaderd. Daarom wordt in elke blog uitgelegd welke stappen het betreffende museum of de betreffende herkomstonderzoeker heeft gezet om het onderzoek uit te voeren. Welke verhalen gaan schuil achter het object en wat kunnen ze ons vertellen over het koloniale verleden van Nederland?
Deze keer in de spotlight: een hoofdtooi met kralen uit Mozambique in de collectie van Wereldmuseum Rotterdam.
Culturele objecten in westerse musea die in een koloniale context zijn verzameld of geroofd, bevatten veel – soms nauwelijks bekende – verhalen over deze periode. Herkomstonderzoek is een waardevol instrument om deze verhalen naar boven te halen. Het kan echter niet op alle vragen een antwoord geven en roept vaak weer nieuwe vragen op. Het is belangrijk om kennis over collecties beschikbaar te maken, omdat dit een beter begrip van museumcollecties mogelijk maakt en landen en gemeenschappen waar het erfgoed vandaan komt in staat stelt hun cultureel erfgoed terug te vinden.
Dit is met name relevant bij collecties die je niet snel in Nederlandse musea zou verwachten, zoals de vele voorwerpen uit het Afrikaanse continent. De hoofdtooi met kralen, geroofd uit Mozambique in 1884, die in deze blog wordt besproken, is een goed voorbeeld. Aan het einde van de negentiende eeuw had Nederland geen koloniën meer in Afrika, maar deed wel nog steeds mee aan de Europese exploitatie van Afrikaanse arbeidskrachten en natuurlijke grondstoffen en profiteerde daar ook van. Op dat moment waren er honderden Nederlandse handelsposten verspreid over het continent, waarvan er ongeveer tien in Mozambique lagen, dat toen een Portugese kolonie was. Herkomstonderzoeker François Janse van Rensburg noemt dit een ‘onzichtbaar rijk’ van Nederlandse handel in Afrika.
Tegenwoordig beheert het Wereldmuseum duizenden voorwerpen uit Afrika, die naar Nederland zijn gestuurd door medewerkers van Nederlandse handelsmaatschappijen, zoals de Nieuwe Afrikaansche Handels-Vennootschap (NAHV), de Oost-Afrikaansche Compagnie (OAC)en Hendrik Muller & Co. Veel van deze voorwerpen – waaronder de hoofdtooi – werden meegebracht door de directeuren en medewerkers van deze maatschappijen. Eén van deze verzamelaars was Hendrik Muller (1859-1941). De familie Muller was nauw betrokken bij commerciële activiteiten in Centraal- en Zuid-Afrika. Hendrik Muller nam ook deel aan de Conferentie van Berlijn in 1884-1885, waar het Afrikaanse continent onder de Europese mogendheden werd verdeeld. Naast dat hij druk was met zijn handelsactiviteiten was Mullers vader een van de medeoprichters van het Wereldmuseum Rotterdam. Muller zelf raakte tijdens zijn tijd als mededirecteur van het OAC geïnteresseerd in antropologie tijdens een bezoek aan Mozambique, waar hij veel voorwerpen voor het museum verwierf.

Herkomstonderzoek wordt soms uitgevoerd in het kader van restitutieverzoeken, zoals wordt beschreven in blog #2. In andere gevallen, zoals de vlag in blog #1 of de Mozambikaanse hoofdtooi, wordt het gemotiveerd door onderzoeksvragen. Het hier gepresenteerde onderzoek, uitgevoerd door Janse van Rensburg, begon met een boek, ‘Industrie…du sud-est de l’Afrique’. Het boek, geschreven aan het einde van de negentiende eeuw door Hendrik Muller en antropoloog Johannes Snelleman, bevat etnografische beschrijvingen van voornamelijk Mozambique en illustraties van voorwerpen, waaronder de hoofdtooi. Het beschrijft de hoofdtooi en de materialen waarvan deze is gemaakt (zoals katoen, kralen, kaurischelpjes, de staart van een wild dier). Een voetnoot verduidelijkt dat het gedragen zou zijn door een Massingire-priester en dat het tijdens een oorlog is buitgemaakt. Janse van Rensburg wilde begrijpen wat de Nederlanders destijds in Mozambique deden en hoe dit object in Nederland terecht is gekomen.
Het herkomstonderzoek verliep volgens de gebruikelijke stappen. Eerst werd de informatie bestudeerd die in het museum beschikbaar was. Daaronder bevond zich de inventariskaart, waarop stond vermeld dat het object in 1885 was geschonken door M.H. Maas, een Nederlandse consul in Quelimane in Mozambique en medewerker van de OAC. Janse van Rensburg doorzocht het archief van het museum en vond een brief die verband hield met deze schenking. De brief, geschreven door Hendrik Muller en gericht aan de toenmalige directeur van het pas opgerichte Museum voor Land- en Volkenkunde in Rotterdam (later Wereldmuseum), stelde dat het door een spiritueel leider was gedragen tijdens een ritueel dat voorafging aan een opstand van het Massingire-volk in 1884 in het Zambezi-riviergebied in Mozambique.
De Massingire-oorlog van 1884 was een van de eerste antikoloniale opstanden tegen het Portugese kolonialisme in Mozambique. Ze vond plaats in de context van het toenemende kolonialisme door Europese mogendheden rond de tijd van de Conferentie van Berlijn. Deze intensivering bestond uit annexatie van grondgebied, uitbuitende belastingen en een verbod op religieuze praktijken van de Massingire, wat leidde tot de opstand van 1884. De opstand groeide al snel uit tot breder verzet, waarbij rebellen zich richtten op Nederlandse, Franse en Portugese commerciële ondernemingen (zoals handelsposten en opiumplantages) die hun inkomsten haalden uit de uitbuiting van de lokale bevolking.
Hoewel veel voorwerpen die Muller en andere verzamelaars verwierven werden gekocht van de lokale bevolking op wat vandaag de dag als toeristenmarkten zouden worden beschouwd, werden andere verkregen door diefstal en plundering. Op basis van het beschikbare archiefmateriaal kon worden geconcludeerd dat de hoofdtooi hoogstwaarschijnlijk in de context van dit conflict was geplunderd.
Omdat alle voor het onderzoek gebruikte archiefbronnen Europees waren, blijven er nog veel vragen onbeantwoord: wie waren de Massingire? Wie droeg de hoofdtooi en met welk doel? Heeft de hoofdtooi vandaag de dag nog steeds betekenis voor mensen? Wat zegt dit geroofde object over andere objecten die niet zijn geroofd, maar in dezelfde context van koloniale uitbuiting zijn verzameld (zoals dit tafelkleed uit Mozambique)? Dit laat zien wat de beperkingen zijn van archiefonderzoek. Om deze vragen te beantwoorden, zouden meer tijd en (financiële) middelen nodig zijn om samenwerkingsverbanden aan te gaan met onderzoekers in Mozambique en veldwerk te verrichten. Met zoveel objecten om te bestuderen, moeten herkomstonderzoekers zich vaak beperken tot het achterhalen hoe een object in het bezit is gekomen van het museum.



Om deze reden kan herkomstonderzoek vaak worden gezien als een onvoltooid proces. Daarom is het belangrijk om de bestaande kennis openbaar te maken, bijvoorbeeld door middel van publicaties, presentaties of tentoonstellingen. Het onderzoek van Janse van Rensburg is gepubliceerd en wordt momenteel gepresenteerd in de tentoonstelling ‘Onvoltooid verleden: teruggeven, houden, of…?’ in Wereldmuseum Amsterdam, onderdeel van het Pressing Matter project. Deze tentoonstelling buigt zich over het huidige debat rond restitutie en onderzoekt kritisch hoe objecten uit koloniale contexten in de collecties van Europese musea (en dit museum in het bijzonder) terecht zijn gekomen, onder meer via handel, wetenschappelijke expedities, diplomatieke geschenken, missionariswerk of koloniale veroveringen.
De hoofdtooi wordt daar gebruikt als voorbeeld van een voorwerp dat via de Nederlandse koloniale handel is verkregen, en om de verbanden tussen handel en conflict te laten zien. Verder worden de resultaten van het herkomstonderzoek gepresenteerd op een touchscreen, naast andere herkomstgeschiedenissen. Aan de hand van foto’s, brieven en ander archiefmateriaal dat voor het onderzoek is geraadpleegd, werpt de hoofdtooi licht op de geschiedenis van het ‘onzichtbare rijk’ van Nederland in Afrika.
De tentoonstelling roept ook vragen op over mogelijke volgende stappen: wat kunnen we doen met een object waarvan bekend is dat het geroofd is, maar waarover geen kennis – en mogelijk ook geen belangstelling – bestaat bij de gemeenschap waaruit het afkomstig is? Hopelijk zal het delen van deze kennis anderen ertoe aanzetten om verder te gaan waar dit onderzoek is gebleven, om dieper te graven in de geschiedenis en betekenis van de hoofdtooi en vele andere culturele objecten en bezittingen in Nederlandse musea.
Om de historische en huidige betekenis van objecten beter te begrijpen en om er ethisch verantwoord mee om te gaan, is informatie over hun herkomst en verwervingsgeschiedenis van essentieel belang. Herkomstonderzoek is een doorlopend proces voor musea. Het Consortium Koloniale Collecties ondersteunt instellingen die collecties beheren bij dit werk door kennis en informatie te delen en belanghebbenden een netwerk te bieden. Wilt u meer weten of informatie met ons delen? Neem alstublieft contact met ons op!
Referenties en verdere informatie
Deze blog is geschreven door Sofia Lovegrove. Het gepresenteerde herkomstonderzoek is uitgevoerd door François Janse van Rensburg van het Wereldmuseum in het kader van het Pressing Matter project. Dit onderzoek wordt momenteel gepresenteerd in de tentoonstelling ‘Onvoltooid verleden’ in het Wereldmuseum Amsterdam en is gepubliceerd in REALMag #10 (2025). Een uitgebreider artikel over de hoofdtooi en diens herkomst zal binnenkort worden gepubliceerd in een nieuwe publicatie van Pressing Matter.
Herkomstonderzoek blog #2
In de blogserie van het Consortium Koloniale Collecties tonen we een historisch object of collectie uit een voormalige koloniale context of situatie, die momenteel wordt (of tot kortgeleden werd) bewaard in een museum in Nederland en waarnaar herkomstonderzoek is gedaan. Met deze blogs willen we inzicht geven in het belang van herkomstonderzoek en de verschillende manieren laten zien waarop dit type onderzoek kan worden benaderd. Daarom wordt in elke blog uitgelegd welke stappen het betreffende museum of de betreffende herkomstonderzoeker heeft gezet om het onderzoek uit te voeren. Welke verhalen gaan schuil achter het object en wat kunnen ze ons vertellen over het koloniale verleden van Nederland?
Deze keer in de spotlight: Zeven Tigua heilige ‘voorwerpen’ van de Ysleta del Sur Pueblo-gemeenschap, Verenigde Staten.
De Ysleta del Sur Pueblo (of YDSP) is een federaal erkende inheemse Amerikaanse gemeenschap in El Paso, Texas. Het Tigua-volk (uitgesproken als Tiwa) uit het YDSP-gebied heeft sterk te lijden gehad onder het Spaanse en later Amerikaanse kolonialisme. In 1680 werden ze na een opstand tegen het Spaanse bewind gedwongen verplaatst van New Mexico naar Texas. In de negentiende eeuw vervielen ze, net als veel andere inheemse gemeenschappen, in extreme armoede door de toe-eigening van hun land en hulpbronnen door zowel de Amerikaanse federale overheid als de deelstaatregeringen. Het was in deze context van onderdrukking dat de voorwerpen in 1882 werden gekocht door de Nederlandse antropoloog Herman Frederik Carel Ten Kate jr., tijdens een expeditie om inheemse Amerikanen te bestuderen. Deze aankoop werd gedaan op verzoek van Lindor Serrurier, de toenmalige directeur van het Rijks Etnografisch Museum (een voorloper van het Wereldmuseum Leiden), met financiering van de Nederlandse overheid.
In 2024 hebben de YDSP Pueblo, met steun van de Amerikaanse regering, een restitutieverzoek ingediend bij de Nederlandse regering. Het ging om vijf (en uiteindelijk zeven) voorwerpen die in beheer waren van het Wereldmuseum Leiden. De reden voor het verzoek was dat het om ceremoniële en spiritueel belangrijke vertegenwoordigingen van de cultuur en het geloof van de Pueblo ging, die daarom moesten worden teruggegeven. Naar aanleiding van dit verzoek heeft het Wereldmuseum herkomstonderzoek gedaan naar de voorwerpen, waaruit bleek dat de verplaatsing naar Nederland en dit museum in 1883 een geval van onvrijwillig bezitsverlies betrof.
De zeven voorwerpen – het fragment van een hoofdtooi, twee trommels en bijbehorende trommelstokken, drie ratels, een schild en mocassins – vormen heilige bezittingen die gemeenschappelijk eigendom zijn van het Tigua-volk. Van bijzonder belang zijn de dubbelzijdige trommel en drumstok, die vermoedelijk de tegenhanger zijn van de enige overgebleven ceremoniële trommel van de Pueblo. Volgens de overlevering zijn ze 350 jaar geleden allebei van het hout van dezelfde boom gemaakt in New Mexico, voordat de Tigua naar El Paso werden verbannen. In de restitutieclaim van 2024 werd gewezen op het belang van de trommel voor de ceremoniële cyclus en zijn connectie met de Winterclan (nu de Pumpkin- en Corn-dorpen), terwijl de enige overgebleven trommel toebehoorde aan de Zomerclan. Zonder de trommel van de Winterclan wordt de trommel van de Zomerclan zowel voor zomer- als winterdansen gebruikt.

Het eerste officiële verzoek om teruggave van de Tigua werd in 2014 ingediend door het bestuur van Ysleta del Sur Pueblo, hoewel het bestuur zegt dat er al eerder verzoeken waren ingediend, die teruggaan tot 1967. Dit verzoek werd door het Wereldmuseum afgewezen met het argument dat de voorwerpen legaal waren verkocht. Na deze beslissing volgden verschillende bijeenkomsten en onderhandelingen tussen het bestuur van de gemeenschap en het museum, maar pas in 2024 kwam er daadwerkelijk verandering in de situatie.
De afgelopen jaren zijn er in Nederland en daarbuiten belangrijke stappen gezet in de ontwikkeling van restitutiebeleid, waardoor we volgens herkomstonderzoeker Klaas Stutje (2025) kunnen spreken van een ‘restitutionary conjuncture‘: de historische samenloop die tot restitutie leidt. Meer specifiek heeft de Nederlandse regering in 2021 haar beleidsvisie inzake collecties uit een koloniale context gepubliceerd, gevolgd door een brief aan de Tweede Kamer over de uitvoering daarvan in 2022. Sindsdien zijn enkele honderden historische voorwerpen teruggegeven, voornamelijk aan Indonesië en Sri Lanka.
Na het restitutieverzoek van 2024 heeft het Wereldmuseum herkomstonderzoek gedaan naar de heilige voorwerpen van de Tigua. Het onderzoek en het daaruit voortvloeiende rapport richtten zich op 1) de geschiedenis van de YDSP om meer inzicht te krijgen in de context waarin de voorwerpen waren verzameld; 2) de expeditie van Ten Kate naar Noord-Amerika in 1882-1883, om inzicht te krijgen in de rol van de Nederlandse overheid en het museum bij deze expeditie, alsmede in de verzamelpraktijken van de antropoloog; 3) het bezoek van Ten Kate aan de YDSP en de zeven voorwerpen; en 4) de geschiedenis van de relatie tussen het Wereldmuseum en de Pueblo.
Het eerste punt werd voornamelijk beantwoord met behulp van secundaire bronnen. Voor het tweede en derde punt werd de correspondentie geanalyseerd die betrekking had op de financiering door de Nederlandse overheid van de aankoop van voorwerpen door Ten Kate en zijn schenking van die voorwerpen aan het museum in 1883. De inventariskaarten van het museum en een reisverslag van Ten Kate bevatten belangrijke informatie over het gebruik van onethische verwervingsmethoden door Ten Kate, waaronder dwang, bedreiging en omkoping. In zijn reisverslag noemde hij de objecten en suggereerde hij dat de verkoop door War Captain Bernardo Holguin niet geheel vrijwillig was geweest, aangezien Holguin de volgende dag spijt betuigde over deze verkoop en probeerde de transactie ongedaan te maken.
De informatie die YDSP-vertegenwoordigers hebben gedeeld in het kader van recente gesprekken met het Wereldmuseum en de restitutieclaim in 2024, leverde ook essentiële informatie op over de context van de verwerving, wat leidde tot een kritischer en contextgevoeliger begrip van de omstandigheden waarin de voorwerpen zijn meegenomen. Van bijzonder belang waren de argumenten dat Holguin door Ten Kate was gedwongen om de objecten te verkopen, dat zijn bereidheid om heilige voorwerpen van de gemeenschap te verkopen te wijten was aan de extreme armoede waarin de YDSP destijds verkeerden, en dat Holguin in feite niet bevoegd was om deze te verkopen, aangezien hij er toen geen eigenaar van was, maar ze beheerde voor de gemeenschap. Deze informatie stond centraal in de uiteindelijke beslissing over het verzoek tot teruggave.
Uit het herkomstonderzoek bleek dat de verwerving van de voorwerpen in 1882 tegen de wil van de YDSP was, ook al was deze het resultaat van de verkoop van de voorwerpen door een lid van de gemeenschap. In de dialoog met de gemeenschap in recentere jaren – en vooral in het kader van de teruggaveverzoeken – werd dit feit herhaald en werd het aanhoudende belang van deze voorwerpen voor de ceremonies en rituelen van de Tigua benadrukt. Dit opnieuw onderzoeken van de historische context waarin de objecten zijn verworven is een belangrijk voorbeeld van hoe complex het is om de omstandigheden en machtsverhoudingen op het moment van verwerving of inbeslagname nauwkeurig te beoordelen, zonder voorbij te gaan aan de rol van de oorspronkelijke eigenaren. Het laat vooral zien dat herkomstonderzoek en een kritisch begrip van de historische en culturele omstandigheden zoveel mogelijk moeten voortkomen uit een open en wederzijdse dialoog tussen musea en de gemeenschappen waar de objecten vandaan komen.

In reactie op het verzoek om teruggave van de VS en de YDSP, en op advies van de onafhankelijke Commissie Koloniale Collecties (in overeenstemming met de Nederlandse beleidsvisie collecties uit een koloniale context), heeft de Nederlandse minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Eppo Bruins begin 2025 besloten de zeven voorwerpen onvoorwaardelijk terug te geven. Een ceremonie ter gelegenheid van deze teruggave vond plaats op 20 maart 2025 in het Wereldmuseum Leiden (zie foto).
Om de historische en huidige betekenis van objecten beter te begrijpen en om er ethisch verantwoord mee om te gaan, is informatie over hun herkomst en verwervings-geschiedenis van essentieel belang. Herkomstonderzoek is een doorlopend proces voor musea. Het Consortium Koloniale Collecties ondersteunt instellingen die collecties beheren bij dit werk door kennis en informatie te delen en belanghebbenden een netwerk te bieden. Wilt u meer weten of informatie met ons delen? Neem contact met ons op!
Referenties en meer informatie
Deze blog is geschreven door Sofia Lovegrove. Het gepresenteerde herkomstonderzoek is uitgevoerd door herkomstonderzoeker François Janse van Rensburg (Wereldmuseum). Het rapport en het advies van de onafhankelijke Commissie Koloniale Collecties zijn hier te vinden. De informatie in deze blog is afkomstig uit dit rapport en uit e-mailcorrespondentie met François Janse van Rensburg. Meer informatie over de teruggave van de zeven voorwerpen is te vinden op de websites van de Nederlandse overheid en van het Wereldmuseum. Ga voor meer informatie over het Nederlandse beleid inzake collecties uit een koloniale context naar de website van het Consortium Koloniale Collecties.
Herkomstonderzoek blog #1
In de blogserie van het Consortium Koloniale Collecties tonen we een historisch object of collectie uit een voormalige koloniale context of situatie, die momenteel wordt (of tot kortgeleden werd) bewaard in een museum in Nederland en waarnaar herkomstonderzoek is gedaan. Met deze blogs willen we inzicht geven in het belang van herkomstonderzoek en de verschillende manieren laten zien waarop dit type onderzoek kan worden benaderd. Daarom wordt in elke blog uitgelegd welke stappen het betreffende museum of de betreffende herkomstonderzoeker heeft gezet om het onderzoek uit te voeren. Welke verhalen gaan schuil achter het object en wat kunnen ze ons vertellen over het koloniale verleden van Nederland?
Deze keer in de spotlight: een vlag uit Indonesië, dat voorheen Nederlands-Indië werd genoemd, die momenteel wordt bewaard door Museum Bronbeek en die tussen 1977 en 2023 in bruikleen was bij het Rijksmuseum in Amsterdam.
De vlag en het feit dat deze in Nederland is, houden verband met de Banjarmasinse oorlog (1859-1863), die zowel een opvolgingsoorlog was in het sultanaat Banjarmasin op het eiland Borneo als een koloniale oorlog om het Nederlandse gezag op te leggen. De vlag is terug te voeren naar een militaire inval in benteng (fort) Ramonia in Zuid-Kalimantan, op 28 september 1861. Dit kon pas worden vastgesteld na diepgaand herkomstonderzoek, omdat de beschikbare informatie tegenstrijdig was.
In die tijd was het gebruik van vlaggen in de koopvaardij, bij ceremonies en oorlogsvoering gangbaar in de Indonesische archipel. De verschillende heersers hadden vaak hun eigen vlag met specifieke betekenissen, veelal verwijzend naar religieuze of dynastieke loyaliteiten. Tijdens gevechten konden ze spiritueel gewijd zijn en gebruikt worden om troepen te inspireren. Het werd dan ook gezien als een teken van ongeluk als ze beschadigd of veroverd werden. De Nederlanders waren zich bewust van deze betekenis, zoals bijvoorbeeld blijkt uit pogingen om vlaggen in de regio te inventariseren. Ze werden vaak meegenomen van slagvelden als symbool van de overwinning. Zo kwamen enkele tientallen vlaggen in Nederland terecht, die vandaag de dag nog steeds in Nederlandse musea te vinden zijn.

Deze katoenen vlag (275 x 122 cm) maakt deel uit van een verzameling van 27 (stukken van) vlaggen en 25 vlaggenstokken en banieren uit de Indonesische archipel (het inventarisnummer is 1870/10-1-4). De kleuren zijn in de loop der tijd vervaagd; hij is nu bruingroen en versierd met een halve maan, een achtpuntige ster en een lint. Halverwege de negentiende eeuw was de halve maan in combinatie met een vijf- of achtpuntige ster een veelvoorkomend symbool in de islamitische wereld, dat verband hield met het Ottomaanse Kalifaat. De betekenis van het rode lint is minder duidelijk. Het is waarschijnlijk een gestileerde combinatie van de Arabische letters lam en alif, verwijzend naar het eerste woord van de islamitische geloofsbelijdenis (shahada) of de naam van Allah zelf (lam jalalah).
In 2022 werd onderzoek uitgevoerd in het kader van het Pilotproject Provenance Research on Objects of the Colonial Era (PPROCE, proefproject herkomstonderzoek van objecten uit de koloniale tijd) om de herkomst vast te stellen, evenals de situatie waarin het door de Nederlanders werd buitgemaakt. De keuze om zich te richten op deze en andere Indonesische objecten kwam voort uit een beslissing die samen met het Nationaal Museum in Indonesië werd genomen. Het herkomstonderzoek omvatte archiefonderzoek en objectanalyse, het gebruik van verschillende materialen en overleg met de Indonesische historicus Mansyur Sammy. Het startpunt was het informatiesysteem van het museum en bestaande archiefdocumentatie. Het komt voor dat objecten opnieuw worden genummerd en geregistreerd, wat kan leiden tot fouten en dus een langere onderzoekstijd. Dit was het geval bij de vlag die hier wordt gepresenteerd.
De documentatie van het museum gaf aan dat de vlag in 1870 was geschonken aan Museum Bronbeek door luitenant-kolonel C.F. Koch, en dat hij was afgenomen van Pangeran Hijdajat (of Prins Hidayatullah), na de verovering van “Fort Romanio” op 28 september 1861. Deze schenking werd bevestigd in een intern rapport en vermeld in een krantenartikel. Er waren echter twijfels over de exacte herkomst omdat een gedenkboek uit 1881 over Bronbeek deze vlag had toegeschreven aan de verovering van Lambadak, Atjeh, in 1877. Daarom was het nodig om aanvullend onderzoek te doen naar de militaire context in die tijd. Hiervoor moesten veel overheidsarchieven worden geraadpleegd, waaronder die van het Ministerie van Koloniën en het Ministerie van Oorlog. Hieruit bleek dat de bestorming van Ramonia deel uitmaakte van een grotere expeditie tegen de Banjarese Prins Antarasi – en niet tegen Prins Hidayatullah – de belangrijkste troonpretendent van de sultan. Binnen het sultanaat Banjarmasin had Antasari, die uit een andere sultanfamilie afkomstig was, de eerste aanvallen op de Nederlanders in 1859 gesteund. Tegenwoordig wordt hij gezien als een nationale held in Indonesië.
Op 28 september 1861 werd Ramonia aangevallen door de Nederlanders. Volgens het verslag van deze expeditie wapperden er drie gele vlaggen versierd met een halve maan, ster en koranverzen op de palissaden van het fort. Deze werden meegenomen en hoewel Koch er vermoedelijk niet bij was, is het zeer waarschijnlijk dat een van de vlaggen in zijn bezit is gekomen, aangezien hij de hoogste bevelhebber in de regio was. Op basis van de geraadpleegde Nederlandse militaire bronnen kon de bewering dat de vlag toebehoorde aan Prins Hidayatullah worden weerlegd. Deze foutieve toeschrijving kan een vergissing zijn geweest van Koch toen hij de vlag aan Bronbeek schonk, of een gevolg van het feit dat de vlag meerdere keren een nieuw nummer heeft gekregen.
Een andere factor die leidde tot twijfels over de toeschrijving had te maken met de vlag zelf en werd verder onderzocht door middel van objectanalyse. Aan de hand van historische beschrijvingen en afbeeldingen van de vlag (bijvoorbeeld de litho’s in Bronbeeks gedenkboek uit 1881) kon worden geconcludeerd dat de huidige groene kleur het gevolg was van verkleuring van de organische kleurstoffen van de vlag en dat dit in feite een van de drie gele vlaggen was die in 1861 waren buitgemaakt. Dit werd verder bevestigd door historicus Mansyur Sammy, die het lint op de vlag herkende als een veelgebruikt symbool voor Prins Antasari.

Het onderzoek naar deze vlag illustreert een aantal van de uitdagingen bij het onderzoeken van de herkomst van objecten in museumcollecties – objecten kunnen bijvoorbeeld in de loop der tijd veranderen (in dit geval de kleur), waardoor het moeilijk is om specifieke objecten te koppelen aan archiefinformatie. Bovendien zijn toeschrijvingen soms onjuist als gevolg van museumwerk, zoals conservering of verhuizingen, of mythevorming door schenkers en conservatoren. Deze blog laat zien dat bestaande informatie niet klakkeloos moet worden overgenomen, want diepgaand archiefonderzoek kan aanvullende/afwijkende informatie aan het licht brengen.
Herkomstonderzoek wordt vaak uitgevoerd in de context van discussies over en claims omtrent teruggave van objecten die in koloniale tijden zijn meegenomen. Bovendien is het, zoals Hilmar Farid (voormalig directeur-generaal van het Indonesische Ministerie van Onderwijs en Cultuur) in 2021 stelde, een waardevol instrument om kennis te produceren over de geschiedenis en onrechtvaardigheden uit het verleden. Volgens Farid is het essentieel dat er gezamenlijke beslissingen worden genomen over wat er wordt onderzocht, omdat het proces van omgaan met koloniale collecties ook gaat over het opbouwen van relaties tussen mensen uit verschillende landen (in dit geval Indonesië en Nederland) en een gemeenschappelijk begrip van het verleden. Hij verwees daarbij naar de vlag die hier wordt gepresenteerd als een belangrijk object, niet vanwege zijn esthetische waarde, maar vanwege wat de vlag in het verleden voor mensen betekende.
Om de historische en huidige betekenis van objecten beter te begrijpen en om er ethisch verantwoord mee om te gaan, is informatie over hun herkomst en verwervings-geschiedenis van essentieel belang. Herkomstonderzoek is een doorlopend proces voor musea. Het Consortium Koloniale Collecties ondersteunt instellingen die collecties beheren bij dit werk door kennis en informatie te delen en belanghebbenden een netwerk te bieden. Wilt u meer weten of informatie met ons delen? Neem contact met ons op.
Referenties en meer informatie
Deze blog is geschreven door Sofia Lovegrove. Het beschreven herkomstonderzoek is uitgevoerd door Klaas Stutje van het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies en het rapport kunt u hier lezen (zie nummer 26). De informatie in deze blog is afkomstig uit dit rapport, alsmede het PPROCE rapport en communicatie per e-mail met Klaas Stutje. De opmerkingen van Hilmar Farid zijn afkomstig van de opname van “The Politics of Restitution”, een online evenement georganiseerd door de SOAS Universiteit van Londen in 2021.