Colonial Collections Consortium

Een pad en een foto uit Suriname

Herkomstonderzoek blog #6

In deze serie blogs presenteert het Consortium Koloniale Collecties een historisch object of collectie uit een voormalige koloniale context of situatie, dat momenteel (of tot voor kort) wordt bewaard in een museum in Nederland en waarnaar herkomstonderzoek is gedaan. In elke blog wordt uitgelegd welke stappen het betreffende museum of de betreffende herkomstonderzoeker heeft gezet om het onderzoek uit te voeren. Welke verhalen gaan schuil achter het object en wat kunnen ze ons vertellen over het koloniale verleden van Nederland?

Deze keer in de spotlight: een pad en een foto uit Suriname

Korte historische achtergrond

Deze blog gaat over een exemplaar van een pad uit het Naturalis Biodiversity Center (RMNH.RENA.29133) en een historische foto uit het Wereldmuseum (RV-A103-1-83). Deze twee voorwerpen, die in verschillende musea worden bewaard, zijn onderzocht in het kader van breder onderzoek naar de rol die individuele Marrons en Inheemse personen in Suriname hebben gespeeld bij het samenstellen van natuurhistorische en etnografische collecties die momenteel in Nederland worden beheerd. Het onderzoek heeft tot doel de veronderstellingen achter het koloniale archief te belichten en te laten zien welke rol herkomstonderzoek kan spelen bij het reconstrueren van een vollediger beeld van de geschiedenis, in dit geval van wetenschappelijk onderzoek in Suriname.

De pad werd op dezelfde dag gevangen als de foto werd genomen – 12 september 1904 – in het kader van een reeks expedities in opdracht van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG), namelijk Coppename (1901), Saramacca (1902), Gonini (1903), Tapanahoni (1904) en Toemoekhoemak (1907). De KNAG werd in 1873 opgericht om geografisch onderzoek over de hele wereld te bevorderen. Dit gebeurde in een tijd waarin in Nederland en andere Europese landen vele wetenschappelijke verenigingen werden opgericht, gedreven door ambities op het gebied van ontwikkeling en vooruitgang. In de negentiende en twintigste eeuw organiseerde de KNAG verschillende expedities om gebieden in kaart te brengen die toen door Nederland werden bezet. Deze waren daarnaast gericht op het verzamelen van planten, mineralen en dieren en ook culturele voorwerpen, met als doel kennis te vergaren over deze contreien en de volkeren die er leefden en het potentieel voor commerciële exploitatie te verkennen.

De reuzenpad van Naturalis (RMNH.RENA.29133). Bron: Naturalis Biodiversity Center. (foto: Caroline Fernandes Caromano)

Tegen de (koloniale) stroom in lezen

De kennis die tijdens deze expedities is opgedaan is grotendeels toegeschreven aan de Nederlanders die hierbij betrokken waren. Namelijk militair officier Alphons Franssen-Herderschee, Gerard Versteeg, een student geneeskunde en expeditie-arts, en Claudius Henricus de Goeje, een cartograaf bij de Koninklijke Marine, die alle drie deelnamen aan de expedities van Gonini en Tapanahoni. Recent en lopend onderzoek door onderzoekers verbonden aan het Naturalis Biodiversity Center – Caroline Fernandes Caromano, Inez de Ruiter, Tinde van Andel, Mariana Françoso, Daan Zielinski en Chamul Sardjoe – toont echter aan dat dit beeld gevormd is onder invloed van vertekeningen en weglatingen in de koloniale archieven.

De onderzoekers hebben herkomstonderzoek verricht naar natuurhistorische en etnografische collecties op een manier die de perspectieven en ervaringen van de Inheemse bevolking en de Marrons zichtbaar maakt en daarmee het heersende beeld van de wetenschappelijke verkenning in Suriname in het begin van de twintigste eeuw ter discussie stelt. Aangezien de Nederlandse bronnen uitsluitend door Nederlandse expeditieleden zijn geschreven, geven ze een vertekend beeld; ze zijn vaak gekleurd door raciale vooroordelen en bieden een eenzijdig perspectief op de ervaringen van de lokale werkkrachten. Toch kan een kritische analyse van deze bronnen belangrijke inzichten opleveren. Zo hebben de onderzoekers een nauwkeuriger en vollediger beeld kunnen schetsen van de wetenschappelijke verkenning in deze context, waaruit blijkt dat deze expedities sterk afhankelijk waren van lokale werkkrachten, namelijk Afro-Surinamers (zowel Marrons als arbeiders uit Paramaribo) en Inheemse personen. Hun kennis van de gebieden die werden verkend was cruciaal voor de veiligheid van de teams, maar ook voor de kennisontwikkeling en het verzamelen van natuurlijk materiaal en artefacten die nu in Nederlandse musea worden bewaard.

Herkomstonderzoek

De laatste jaren richt herkomstonderzoek zich steeds vaker op microgeschiedenis, waardoor er een completer beeld van de (koloniale) geschiedenis kan worden geschetst en gedeeld. In dit geval hebben de onderzoekers zowel de officiële verslagen van de expeditieleiders bestudeerd als hun dagboeken, die een persoonlijker beeld van de ervaringen geven, inclusief details over de contacten en relaties met lokale werkkrachten. Ook wordt correspondentie geraadpleegd om de verhalen in deze dagboeken te bevestigen of te weerleggen. Een digitaal archief met foto’s van de expedities, dat momenteel wordt bewaard in het Wereldmuseum en de Universitaire Bibliotheken Leiden, vormt een aanvulling op de schriftelijke documentatie, aangezien deze foto’s helpen om een beeld te geven van de gebeurtenissen en personen die in de verslagen worden beschreven. Tot slot kunnen in sommige gevallen de etiketten op de voorwerpen zelf onverwachte informatie opleveren. Dat is het geval bij de pad die in deze blog wordt besproken.

De reuzenpad van Naturalis, geconserveerd in alcohol (boven) en het bijbehorende etiket (onder) (RMNH.RENA.29133). Bron: Naturalis Biodiversity Center. (foto’s: Caroline Fernandes Caromano).

De pad behoort tot de Bufo marinus-soort (Linnaeus, 1758); de huidige wetenschappelijke naam is Rhinella marina (Linnaeus, 1758) en hij staat algemeen bekend als de reuzenpad of de aga-pad. Hoewel wetenschappelijke kennis vaak wordt gezien als ahistorisch, neutraal en universeel, is zij – net als de officiële verslagen van wetenschappelijke expedities aan het begin van de twintigste eeuw – het product van historische, politieke en maatschappelijke contexten. Het gebruik van het Latijn komt bijvoorbeeld voort uit het feit dat, toen de Zweedse bioloog Carl Linnaeus in de achttiende eeuw zijn classificatiesysteem ontwikkelde, dit de lingua franca was van de geschoolde Europeanen, en zo de basis vormde voor de naamgeving van de natuurlijke wereld. Bovendien werden natuurlijke elementen zoals planten, dieren, rivieren en bergen vaak vernoemd naar de Europese mannen die ze zouden hebben ontdekt. Zo werden twee van de soorten die tijdens de Gonini-expeditie werden verzameld vernoemd naar Versteeg: de Arthrosaura reticulata versteegii en de Laelaps versteegi.

Het interne dossier van de pad bij Naturalis vermeldt de datum waarop het dier is gevangen – 12 september 1904 – waaruit blijkt dat dit tijdens de Tapanahoni-expeditie is gebeurd. De belangrijkste doelstellingen van deze expeditie waren het in kaart brengen van de Tapanahoni-rivier, het verkennen van de Surinamerivier en de verwerving van etnografische collecties, met name van de Wayana- en Trio-gemeenschappen. Op het etiket dat samen met de pad in alcohol is bewaard, staan zowel de datum vermeld als de lokale naam voor de pad – “Toddo” – in het Sranan Tongo, de creoolse taal van Suriname. Op het etiket staat ook het woord Telompaga, wat volgens het rapport van Franssen-Herderschee uit 1905 (“Verslag van de Tapanahoni-Expeditie”) de inheemse naam is (mogelijk van het Wayana-volk) voor een gebied met stroomversnellingen op een deel van de Paloemeu-rivier, die bij het dorp Paloemeu samenvloeit met de Tapanahoni-rivier. Franssen-Herderschee vermeldt in zijn verslag ook dat de Marrons deze plek “Trombaka” noemen, wat ‘gebied van terugkeer’ betekent, omdat het een moeilijk toegankelijk gebied is met veel rotsen, stroomversnellingen en watervallen, waar boten vaak niet doorheen konden. Deze informatie samen wijst er al op dat Marrons en Inheemse personen bij deze expeditie betrokken waren.

Uit het archiefonderzoek van Caroline Fernandes Caromano en haar collega’s blijkt dat er 28 mensen bij de Tapanahoni-expeditie werkten, voornamelijk Afro-Surinaamse werkkrachten (tenzij in de volgende zin anders vermeld). Hun namen waren Copijn, Andreas, Koffie, Soekroe, Karel, Madonné, Paté (gids), Malo (gids), Sully (kok), Madretsma (tweede kok), Sindélé, Sako, Makandro, Akrosi, kleinzoon van Oseisi (gids/tolk), Sonie (gids/tolk), Melchiot, Roozendaal, Dens, Leeflang, Heerde, Henze, Teboe, Lebitetei, Abaaitong, Brandon, Ho-a-Hing (Chinees), Johannes (Inheems, Kali’na), William (Inheems, Kali’na).

Foto gemaakt door Versteeg tijdens de Tapanahoni-expeditie in Suriname, 1904. Bron: Wereldmuseum (RV-A103-1-83). Bijschrift: Het brengen van de visschersboot over Telompaga of Tronbakka (12 september).

Reflectie

Deze blog is gebaseerd op recent onderzoek naar natuurhistorische en etnografische collecties en laat zien hoe herkomstonderzoek kan helpen bepaalde vertekeningen recht te zetten en de heersende verhalen over wetenschappelijke expedities in Suriname ter discussie te stellen. De combinatie van dagboekanalyses en directe objectanalyses van verschillende collecties schetst een beeld van mensen uit de lokale bevolking die voorheen uit het officiële verhaal waren weggelaten. De diepgaande kennis die individuen uit Inheemse en Marron-gemeenschappen hadden van de lokale omgeving en hun vermogen om Nederlandse wetenschappers te begeleiden bij het vinden, verzamelen en identificeren van planten en dieren, evenals de actieve rol van lokale leiders bij het faciliteren van de toegang en uitwisselingen tussen de Nederlandse onderzoekers en de lokale gemeenschappen, waren essentieel voor het tot stand komen van de collecties die nu in Nederlandse musea worden bewaard. Door herkomstonderzoek zijn lokale verzamelaars en hun onmisbare rol in kaart gebracht; hun namen moeten dan ook worden erkend en opgenomen in de inventarissen van etnografische en natuurhistorische collecties.

In dit laatste deel staan we ook stil bij een ander vraagstuk dat zich voordoet bij musea als Naturalis en het Wereldmuseum in Leiden, en dat soms een uitdaging kan vormen voor herkomstonderzoek. Volgens de principes van de Westerse wetenschap wordt natuurlijk materiaal dat verband houdt met planten, dieren en aardse systemen beschouwd als “specimen” of “exemplaar”  en wordt dit traditioneel ondergebracht in natuurhistorische collecties, terwijl door mensen gemaakte voorwerpen “artefacten” vormen en worden ondergebracht in etnografische of wereldcultuurcollecties. Zoals wetenschappers en museumprofessionals als Jack Ashby echter hebben betoogd – en zoals uit het hier gepresenteerde onderzoek blijkt – is deze scheiding tussen natuur en cultuur kunstmatig. Natuurlijke specimens werden en worden doorgaans door mensen geprepareerd om ze langdurig te bewaren en kunnen daarom ook als artefacten worden beschouwd, terwijl artefacten vaak van natuurlijke materialen zijn gemaakt en dus ook specimens omvatten. Bovendien kwamen materialen die in de koloniale tijd werden verzameld weliswaar vaak in verschillende soorten collecties terecht – zoals die van Naturalis en het Wereldmuseum – maar werden ze vaak door dezelfde mensen, op dezelfde plaatsen en op hetzelfde moment verzameld, en pas bij aankomst in Europa verdeeld. Door een pad en een foto te bestuderen die op dezelfde dag zijn gemaakt maar in verschillende soorten instellingen worden bewaard, laat deze blog zien dat het samenbrengen van collecties en bijbehorende documentatie uit verschillende instellingen ook kan bijdragen aan een beter begrip van de koloniale (collectie)geschiedenis, evenals van de geschiedenis van de instellingen die deze collecties tegenwoordig beheren.

Tot slot

Om de historische en huidige betekenis van objecten beter te begrijpen en om er ethisch verantwoord mee om te gaan, is informatie over hun herkomst en verwervingsgeschiedenis van essentieel belang. Herkomstonderzoek is een doorlopend proces voor musea. Het Consortium Koloniale Collecties ondersteunt instellingen die collecties beheren bij dit werk door kennis en informatie te delen en belanghebbenden een netwerk te bieden. Wilt u meer weten of informatie met ons delen? Neem alstublieft contact met ons op!


Referenties en verdere informatie
Deze blog is geschreven door Sofia Lovegrove. De informatie is afkomstig uit het Engelstalige artikel “Surinamese maroon and indigenous knowledge in the creation of natural and ethnographic collections housed in The Netherlands” geschreven door Inez de Ruiter, Tinde van Andel, Mariana Françoso en Caroline Fernandes Caromano uit 2025. Binnenkort volgt meer onderzoek in een artikel van Ruiter en Caromano, getiteld “Looking Beyond Knives, Buttons and Beaded Aprons: Indigenous and Maroon Agency in Colonial Collecting Practices and the Provenance of 10 Surinamese Objects in The Netherlands” (in het tijdschrift Museum International). De specifieke informatie over de pad is afkomstig uit e-mailcorrespondentie van Caromano en het onderzoek dat zij heeft uitgevoerd in samenwerking met de studenten Chamul Sardjoe (Anton de Kom Universiteit van Suriname) en Daan Zielinski (Universiteit Utrecht). Dit onderzoek zal worden uitgebreid in het kader van het project “Provenance Research of early twentieth century Surinamese botanical and zoological collections housed at Naturalis”, dat wordt gefinancierd door het Consortium Koloniale Collecties. Het herkomstonderzoek ging van start met Caromano’s Veni-project getiteld “Seeds in Amazonian Body Ornaments: Encapsulated Indigenous Histories, Aesthetic and Environmental Knowledge” (2021-2024), en vindt momenteel plaats in het kader van het NWA-consortium “Epistemologies: The Reinterpretation of Existing Traditional Knowledge in Suriname”, gecoördineerd door dr. Cheryl White (Anton de Kom Universiteit van Suriname). Beide projecten zijn gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Het artikel van Jack Ashby is getiteld “The Entwined Human and Environmental Costs of the Colonial Project” en verscheen in 2024.